11. Want die tot hem zegt "wees gegroet! " en daarmee een inwendige gemeenschap uitdrukt, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken, waarmee hij zich verzondigt tegen God en diens woord, tegen Christus en degenen die in Hem geloven (
Openbaring 8:4).
Het woord van de apostel doet veronderstellen, dat er reeds een persoonlijke betrekking van omgang en vriendschap bestond van de zijde van enige familieleden van het huisgezin van de "vrouw" (vgl. Vers 4), zodat in dit opzicht verkeerd was gedaan.
Er wordt hier niet gehandeld over hetgeen de mens aan de mens, maar over hetgeen de Christen aan de Christen verschuldigd is. Niet de menselijke betrekking met dwalenden moet worden afgesneden, alleen mag de Christelijke gemeenschap niet worden prijs gegeven aan de verwoestende invloed van hem, die inwendig haar vijanden zijn.
Hoe moeilijk onder de tegenwoordige omstandigheden, bij de ontwikkeling, die de leer heeft verkregen, de juiste toepassing van het door Johannes gezegde moge zijn, moet het toch ook nu nog erkend worden als een verbindende regel voor ons. Niet alleen moet de Christen zich bewust blijven van de tegenstelling tussen anti-christendom en Christendom, maar ook mag hij dit bewustzijn in zijn verhouding tot de naaste niet verloochenen.
Ziedaar trouwe woorden van de ene uitnemende Christen aan de andere en in die trouwe woorden de uitnemendheid van de Christelijke vriendschap. Zij schroomt niet een zeer gevorderde gelovige opzettelijk te bepalen bij hetgeen zij van het begin gehoord heeft en de grondslag van de Christelijke wandel uitmaakt; of haar te waarschuwen voor verleiding en, als was het mogelijk, voor afval. Zij schroomt niet om zich te stellen tussen haar en derden, die wel zullen kunnen beseffen, wie het is, die de uitverkorene Kuria dus scherp tegen hen gewaarschuwd, die hen bij haar met zo zwart een kool getekend heeft. Apostolisch gezag is tot dit alles niet nodig. de trouw van de Christelijke liefde is daartoe genoeg, maar wordt die altijd, altijd even bereidvaardig bij de Christenen gevonden? Deinst hij niet vaak terug voor zwarigheden, meer nog voor onaangenaamheden? Laat hij zich niet vaak paaien door voorstellen en overwegingen van valse wijsheid, valse voorzichtigheid, valse kiesheid, waardoor men zich poogt diets te maken, dat de vermaning overbodig, ontijdig, onbetamelijk zou zijn. En als uitstel mogelijk is, grijpt men het niet graag aan? Niet zo de ouderling, niet zo de vriend van Kuria. Hij heeft veel aan haar te schrijven, dat zich beter zeggen dan schrijven laat, dat hij daarom niet zeggen wil door papier en inkt, maar dit, hoeveel aangenamer het in menig opzicht zijn zou, het bij gelegenheid te zeggen dan nu te schrijven, moet geschreven worden. Ogenblikkelijk, zonder uitstel, ofschoon hij tot haar hoopt te komen en van mond tot mond te spreken; het is van het grootste belang voor de veiligheid en de vrede van haar ziel en die van haar kinderen en hij heeft geenszins te vrezen, dat zijn schriftelijke waarschuwing als overbodig, min of meer ontijdig, onkies zal worden beschouwd; integendeel, hij verwacht op dit schrijven een hartelijke ontvangst, waarbij zijn blijdschap volkomen zal zijn. Zeker, naarmate wij meer inzien het gevaar, dat de vrede van de ziel loopt en de schade, die zij lijdt, bij elke schade geleden aan de waarheid, zoals die in Christus is, aan de eenvoudigheid van het gebod van de liefde, dat de hele wet is, aan de heiligheid van een wandel in waarheid en liefde naar die mate zullen wij getrouwer zijn om elkaar te vermanen en te waarschuwen tegen al wat de zuiverheid van de lucht, waarin de Christen alleen ademhalen, kan verpest, des te minder zullen wij vrezen, een schijn van liefdeloosheid op ons te laden, waar geen liefde te pas komt en het niet weerstaan van de boze een verraad zou zijn, gepleegd aan de kostelijke zielen van de goeden, aan de kostelijke zielen van Gods heiligen, bevrienden, uitverkorenen. Hoe meer de liefde van Christus ons dringt, des te oprechter, des te eenvoudiger, des te krachtiger en getrouwer zullen wij met onze vermaning, waarschuwing, waar het zijn moet, bestraffing optreden in de overtuiging, dat "openbare bestraffing beter dan verborgen liefde" is. En deze openbare liefde, al zou zij niet altijd even geredelijk erkend en gewaardeerd worden, zal toch eenmaal een volkomen blijdschap hebben en een vol loon ontvangen. Laat de vrienden naar de wereld voortgaan elkaar te vleien, de vrienden in Christus moeten meer en meer leren elkaar te vermanen en de vermaning van elkaar aan te nemen in zachtmoedige nederigheid. De vleiende liefde van de slang was een verdervende; de liefde van hem, die de slang de kop vermorzeld heeft, vermaant en bestraft. Ja, de behoudende liefde van Christus vermaant en bestraft. Zij vermaant zondaren tot bekering, bekeerden tot meerdere heiligheid, ongetroosten tot geloven, gelovigen tot liefde, vijanden tot verzoening, vrienden en broeders tot getrouwheid. Zij bestraft elke zonde in de voornaamste vriend. Onze voornaamste vriend is Jezus. Geen Johannes met Paulus vermenigvuldigd, kan een Jezus voor de ziel zijn. Met Jezus tot vriend, behoeven wij geen anderen, verliezen wij velen, wij zullen niet zonder aardse vrienden zijn. Maar Hij wil, dat wij over deze onze plicht doen. Ik vrees dat wij ons ook hier veel te verwijten hebben.
C. Ten slotte geeft de apostel te kennen, dat hij een veel langere brief dan deze is had moeten schrijven, als hij zijn hele hart had willen uitstorten. Hij zal dat echter snel mondeling doen en dan nog meer kunnen teweegbrengen dan hij het met papier en inkt kan doen. Daarom heeft hij zich tevreden gesteld met hetgeen voor het ogenblik onvoorwaardelijk nodig was en niet kon worden uitgesteld. Hij voegt er nog een groet bij van de kinderen van de zuster van die vrouw, die zijn brief ontvangt. Ook hiermee wil hij eveneens indruk maken op haar hart, terwijl hij over deze zuster een vorm van uitdrukking kiest, die een onderscheiding bevat.