16. En gedraag u altijd naar de wil van God, dan heeft u een goed geweten (
Hebreeën 13:18), a) opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners (
Hoofdstuk 2:12), zij beschaamd mogen worden door dat daadzakelijk bewijs van hun onrecht, zij namelijk, die uw goede wandel in Christus lasteren (
1 Corinthiërs 4:17 Colossenzen 2:6).
a) Titus 2:8
Met de woorden "en heb een goed geweten" geeft de apostel op treffende wijze dat punt aan, waarop het aankomt, om op de juiste wijze altijd tot verantwoording gereed te zijn.
Over de Christelijke hoop kan alleen hij verantwoording geven, die de geschonken genade in een goed geweten als een goed vat heeft bewaard.
Er moet een bereidheid ter verantwoording gegrond op een zedelijk goed gedrag bestaan, opdat de tegenstanders met hun lasteringen beschaamd worden. Het rekenschap eisen, dat de ongelovigen doen, is namelijk volgens de hele voorstelling van de brief niet gedacht in de zin van een waarheid zoekende zedelijke drang, maar als uitgaande van de veronderstelling, dat de Christenen zich ontslaan van de zedelijke leefregels. Hebben zij dus een goed geweten, d. i. kunnen zij op een zedelijk goeden wandel wijzen, dan zijn de smaadredenen van de tegenstanders niets anders dan een feitelijk te schande worden, omdat zij het voldoend bewijs zijn, dat de ongelovigen niets meer tegen het Christendom en zijn belijders kunnen inbrengen dan deze lasteringen, die tegenover de feiten in zichzelf nietig zijn.
Dit is de troost van een goed geweten, dat wij tot hen, die van ons achterklappen als van kwaaddoeners, mogen zeggen: "Wat u in ons haat zijn niet onze zonden, die ons zelf gehaat zijn en waarvoor wij vergeving van God afbidden. U is Christus gehaat, die wij belijden als onze enige hoop, om wiens wil wij niet met u meegaan in uw woest en ongeregeld leven en die alleen willen wij dienen ten spijt van u voor God. "
Een voortreffelijk voorschrift zeker, maar is het in zijn soort niet even onuitvoerlijk, als de even hooggestemde eis: "wees volmaakt? " Een goed geweten, zeker, het is een paradijs hier beneden, maar waar is de mens en de zondaar, voor wie het geen verloren paradijs is te achten. Ach, allen dragen nog immers meer of min een kwaad geweten om in de boezem, dat ons telkens dagvaart voor God en al klaagt het ons ook van geen grove afwijking aan, toch zal wie echt wijs is het woord van Paulus herhalen: "ik ben mijzelf van geen ding bewust, maar ik ben daardoor niet gerechtvaardigd" (1 Corinthiërs 4:4). Zelfs een gewijde schrijver horen wij zich met de verklaring tevreden stellen: wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben (Hebreeën 13:18), als schroomde hij sterker te spreken. Zal niet juist de man van geweten op dit punt het meest bedachtzaam zich uitlaten en loopt integendeel hij, die zonder beperking verklaart, dat hij in alles een goede consciëntie heeft, geen onwillekeurig gevaar van zelfbedrog, als niet van huichelarij? Zo schijnt dan bijna deze apostolische vermaning te sterk en toch zij is even rechtmatig, als tot aanmerkelijke hoogte uitvoerlijk, als zij slechts juiste wordt verstaan. Daartoe is echter vóór alle dingen nodig, dat wij goed onderscheiden; wij onderscheiden, ten eerste tussen de mens buiten en de verloste van Christus. Tot de eerstgenoemde komt natuurlijk niet de vermaning om een goed geweten te bewaren hoe zou men kunnen behouden, wat men nog nooit heeft bezeten maar om voor het onrein en ontrust geweten reiniging en genezing bij God in Christus te zoeken. In de tekst echter is verondersteld, dat dit reeds geschied is en nog gedurig geschiedt en worden bepaald zij, wier harten reeds van een kwaad geweten gereinigd zijn, met nadruk vermaand naar het duurzaam bezit van een goede consciëntie te staan. Ten tweede moet men ook op dat gebied behoorlijk onderscheiden tussen volmaaktheid en louterheid. Werd tot het bezit van een goed geweten vereist, dat men zich van niet één verkeerdheid bewust was, ook de beste zou die schat moeten derven. Maar ook daar wordt de getuigenis van een goed geweten vernomen, waar wij, bij alle gebrek, de bewustheid met ons omdragen van oprechtheid in beginsel en keus en ons ernstig bevlijtigen om met ons niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God te leven. Om een goed geweten te hebben is het niet nodig een man zonder zonde, maar althans een mens uit één stuk te zijn; die ook op geestelijk gebied in de grond van de zaak slechts één ding wil en doet, maar dat een getrouw en van harte, die wel niet zonder struikelen, maar toch zonder moedwillig afdwalen op de weg van de gehoorzaamheid wandelt, er niet vreest, maar integendeel verlangt door de Kennen van de harten doorgrond te worden, omdat hij, in gemeenschap met God, boven alles lust aan waarheid in het binnenste heeft. Die dit in ootmoed van zichzelf belijden kan, hij heeft, bij alle ogenblikkelijke verzuimen of feilen (waarop een getrouw geweten hem onophoudelijk wijst), toch in de grond van de zaak een goede consciëntie voor God en ook tegenover de bitterste vijanden kan hij als Paulus met Christelijke fierheid verklaren: hierin oefen ik mijzelf om altijd een onergerlijke consciëntie te bewaren voor God en de mensen" (Handelingen 24:16). En hoeveel verenigt zich nu, om ons het staan naar zo'n toestand zo krachtig mogelijk aan te prijzen! De goede consciëntie is de bron van een inwendige vrede, die tegen geen aardse schatten is op te wegen; ach, wat hel een in het hart van Jozefs broeders, van een Herodes, van Judas en zo vele anderen, over wie de Rechter daarbinnen het onverbiddelijk "schuldig" heeft uitgesproken! Wat een hemel in de ziel van David, die zijn handen in onschuld kan wassen, eer hij die smekend opheft tot God! Eerst het goed geweten maakt ons rustig tegenover al de wisselende oordeelvellingen, sterk tegenover al de miskenning van de wereld. Wie zijn vrijspraak daarbinnen heeft wat deert hem het vonnis daarbuiten, wie zich vrijmoedig op de getuige van zijn onschuld beroepen kan, wat schaadt hem zelfs de schennigste laster? "Als ons hart ons niet veroordeelt", dus heeft een apostel gesproken, "zo hebben wij vrijmoedigheid tot God en zo wat wij bidden, dat ontvangen wij van Hem" (Johannes 3:21, 22). Onschatbaar voorrecht voorwaar, hoe het echt het onze kan worden en blijven? Voor alle dingen door de ootmoedige belijdenis, dat wij het van onszelf niet hebben en het enkel verkrijgen kunnen langs de weg van de verzoening met God en van de vernieuwing van ons hart door de kracht van de Heilige Geest. Maar dan ook hebben wij dagelijks in Zijn kracht naar een verlicht, een teder, een onergerlijk geweten voor God en de mensen te streven. Dwaalt toch het verstand, ook het geweten zal dwalen; zijn we niet nauwgezet in het kleine, hoe zullen wij voor grotere overtreding bewaard blijven; en geven wij billijke aanstoot aan anderen, hoe kwetsen we reeds daardoor de eigen consciëntie en lopen zelfs gevaar van al snel schipbreuk te lijden aan ons allerheiligst geloof? O, het verband tussen het leven van het geloof en de reinheid van het geweten, het is zo onbegrijpelijk nauw. Leert een heilig en barmhartig God zelf ons "de verborgenheid van het geloof bewaren in een goede consciëntie" (1 Timotheus 3:9). En verhoedt Hij genadig, dat wij immer zouden behoren tot hen, die "hun eigen geweten als niet een brandijzer toegeschroeid hebben! " (1 Timotheus 4:2).