1 Corinthiërs 6:1-8
Hier bestraft de apostel hen omdat zij terecht gaan met elkaar, voor heidense rechters, om geringe verschillen, en veroordeelt daarmee alle ergerlijke rechtsgedingen. In het vorige hoofdstuk had hij hun opgedragen gruwelijke zonden in eigen kring door den kerkelijken ban te straffen. Hier vermaant hij hen onderlinge geschillen te beëindigen door kerkelijken raad en uitspraak. We merken hier op:
I. Den misslag, waarover hij hen bestraft: die was tegen elkaar de wet inroepen. Wel is de wet goed, indien iemand die wettelijk gebruikt. Maar
1. De ene broeder gaat met den anderen broeder terecht, vers 6, het ene lid der gemeente met het andere. De nauwe betrekking tot elkaar kon geen vrede en goede verstandhouding bewaren. De banden der broederliefde waren gebroken, En een broeder is weerspanniger dan een sterke stad, zegt Salomo, Spreuken 18:21, hun geschillen zijn als de grendel van een paleis. De Christenen behoren niet met elkaar te twisten, want zij zijn broeders. Wanneer dit in het oog gehouden werd, zouden daardoor rechtszaken voorkomen worden, en twisten en geschillen zouden een einde nemen.
2. Zij brachten hun zaken voor heidense overheidspersonen. Zij gingen terecht voor de onrechtvaardigen en niet voor de heiligen, vers 1, daagden elkaar voor ongelovigen, vers 6, en beslechtten hun zaken niet onderling, zij, Christenen en heiligen, tenminste in hun belijdenis. Dit diende veel tot verwijt voor het Christendom, Het bracht hun dwaasheid en onvreedzaamheid aan het licht, terwijl zij beweerden te zijn kinderen der wijsheid, volgers van het Lam, den zachtmoedigen Jezus, den Vredevorst. En daarom zegt de apostel: Durft iemand van ulieden, wanneer hij met een ander geschil heeft, terecht gaan, hem aanklagen, de zaak brengen voor de onrechtvaardigen? Christenen behoren niet te durven enige zaak te begaan, waardoor hun Christelijke naam en belijdenis in opspraak gebracht worden.
3. Hier is ten slotte ene aanwijzing, dat zij terecht gingen om ondergeschikte dingen, van weinig waarde, want de apostel bestraft het dat ze niet liever ongelijk leden, dan tot den rechter te gaan, vers 7, waaruit men zien kan dat het over onbelangrijke dingen ging. In gevallen van groot nadeel voor ons zelven of onze gezinnen, mogen wij wettige middelen gebruiken om onze rechten te handhaven. Wij zijn niet gehouden neer te zitten en alle onrecht weerloos te verdragen, zonder een vinger tot verlichting uit te steken, maar in zaken van weinig belang is het beter onrecht te verdragen. Christenen behoren vergevensgezind te zijn. En het strekt hun meer tot eer kleine beledigingen en onrechtvaardigheden te verdragen dan twistgierig te schijnen.
II. Hij toont hun aan hetgeen hun misslag verzwaart. Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordelen zullen? vers 2, dat wij de engelen oordelen zullen? vers 3. En zijt gij dan onwaardig de minste gerechtszaken? de zaken die dit leven aangaan? Het was een oneer voor hun Christelijk karakter, een vergeten van hun koninklijke waardigheid als heiligen, wanneer zij kleine geschillen, de dingen van het dagelijks leven betreffende, voor den rechter brachten. Indien zij eenmaal de wereld, zelfs de engelen, zouden oordelen, was het onverantwoordelijk dat ze kleine onenigheden niet onder elkaar vereffenen konden. Sommigen menen dat "met de wereld en engelen oordelen" bedoeld wordt, dat de Christenen in den groten oordeelsdag met Christus vonnis vellen zullen, gelijk de Zaligmaker Zijnen discipelen toezegt, dat zij zullen zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israël's, Mattheus 19:28. En op een andere plaats lezen wij: De Heere is gekomen met Zijne vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen, Judas: 14, 15, en van de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijne heiligen, 1 Thessalonicenzen 3:13. Wel zullen zij zelven ook geoordeeld worden, zie Mattheus 25:31-41, maar ze kunnen eerst vrijgesproken worden en daarna toegelaten tot de rechtbank om in te stemmen met en te verheerlijken het rechtvaardige vonnis van Christus beiden over mensen en engelen. In geen anderen zin kunnen ze rechters zijn. Zij zijn geen deelhebbers aan de handelingen des Heeren, maar zij hebben de eer van daarbij te zitten en te zien hoe Hij optreedt tegen de goddeloze wereld, en dat toe te juichen. Anderen menen dat met dit oordelen van de wereld bedoeld wordt dat het keizerrijk Christus' koninkrijk worden zal. Maar het blijkt nergens uit dat de Corinthiërs verwachtten dat het keizerrijk Christelijk worden zou, en in welken zin kan gezegd worden dat Christelijke keizers engelen zullen oordelen? Nog anderen verstaan er onder dat zij de wereld door hun geloof en wandel oordelen zullen en de boze engelen uitwerpen door wondermacht, die niet beperkt is tot de eerste eeuw of tot de apostelen. De eerste betekenis schijnt het meest aannemelijk te zijn, en daarbij zet het de bewijsvoering de meeste kracht bij. Zullen Christenen de eer hebben van ten jongsten dage met den almachtigen Rechter te zitten, wanneer Hij vonnis velt over de godloze mensen en de gevallen engelen, en zijn zij niet waard over de geschillen te oordelen, om welke gij elkaar voor de heidense rechters trekt? Kunnen zij uw twistvragen niet uitmaken? Waarom brengt ge elkaar voor heidense rechters? Wanneer gij eenmaal hen zult oordelen, komt het dan te pas nu hun uitspraak in te roepen? Moet gij, in gerechtszaken, die dit leven aangaan, daarover hen tot rechters stellen, die in de gemeente niet geacht zijn? (zo lezen sommigen en misschien niet ten onrechte) heidense overheidspersonen, dingen die niet zijn, Hoofdstuk 1:28. Moeten zij opgeroepen worden als rechters, die bij u zo laag in tel zijn? Is dat niet beschamend? vers 5. Sommigen lezen het echter als onze gewone vertaling, en bij wijze van spot: Zet die daarover, die in de gemeente minst geacht zijn, die uwer medeleden, welke ge er het minst bekwaam voor acht. De minsten uwer medeleden zijn zeker bekwaam genoeg om in die zaken uitspraak te doen. Beslecht die zaken in elk geval onder elkaar, en ga niet terecht voor heidense rechters. Het zijn geen dingen om over te twisten, ze kunnen gemakkelijk beslist worden, indien ge maar eerst uw eigen humeur overwonnen hebt en uzelven in het ware Christelijke gevoelen teruggebracht hebt. Draag en verdraag, dan zal de minst-ontwikkelde onder u instaat zijn om uw twisten te beslechten. Ik zeg u dit tot schaamte, vers 5. Het is beschamend, dat twisten zo den kop kunnen opsteken onder Christenen, dat ze niet door tussenkomst der broederen beëindigd kunnen worden.
III. Hij geeft hun een middel aan de hand om deze fout te herstellen. En wel tweeledig:
1. Door aanwijzing van enkelen, die er mede belast kunnen worden: Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen onder zijne broeders? vers 5. Gij laat u zoveel voorstaan op uw wijsheid en kennis, gij zijt zo opgeblazen over uw buitengewone gaven en voorrechten, is er nu niemand onder u bekwaam voor dezen dienst, niemand die wijsheid genoeg heeft om die geschillen te oordelen? Moeten broederen twisten en heidenen uitspraak doen in een gemeente, zo beroemd om haar kennis en wijsheid als de uwe? Het is schande, dat uw twisten zo hoog lopen en er geen enkele onder u wijs genoeg is om ze te bedaren of te voorkomen. Christenen behoren nooit tot gerechtelijke uitspraak de toevlucht te nemen, alvorens alle andere middelen vergeefs beproefd zijn. Voorzichtige Christenen moeten zo mogelijk hun geschillen voorkomen, en geen gerechtshoven laten beslissen, vooral niet in zaken van gering belang. 2. Door liever ongelijk te lijden dan langs dezen weg recht te verkrijgen. Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkaar rechtszaken hebt, het is enerzijds altijd een fout om het gerecht in te roepen, behalve in zaken van twijfelachtig karakter en bij vriendschappelijke overeenkomst van beide partijen om door gerechtelijk vonnis te weten te komen hoe de wet beslist. En dit schijnt de apostel te raden, in plaats van met elkaar te twisten, hetwelk hij voor alles veroordeelt: Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade? Een Christen behoort liever een klein ongelijk te lijden dan zich zelven te bevredigen en anderen te benadelen door een rechtelijk vonnis. De vrede van zijn eigen ziel en de rust van zijn omgeving zijn meer waard dan de overwinning in zulke gevallen, en dan het staan op eigen recht, vooral wanneer het geschil zou moeten uitgemaakt worden door vijanden van den godsdienst. Maar de apostel zegt hun dat ze er zo ver vanaf zijn om ongelijk te lijden, dat ze liever ongelijk en schade doen en dat den broederen! Het is een zware misslag iemand ongelijk en schade aan te doen, maar dit wordt nog veel erger wanneer het onzen Christelijken broederen aangedaan wordt. De banden van wederkerige liefde moeten tussen hen sterker zijn dan tussen anderen.
De liefde doet den naasten geen kwaad, Romeinen 13:10. Zij die de broederen liefhebben, kunnen onder den invloed van dit beginsel nooit elkaar kwaad doen of beledigen.