1 Corinthiërs 12:27-31
I. Hier vat de apostel zijn bewijsvoering samen en past de gelijkenis toe op de gemeente van Christus. Wij merken hierbij op:
1. De betrekking, waarin de Christenen tot elkaar staan. De gemeente, het gehele gezamenlijke lichaam, is het lichaam van Christus. Ieder Christen is lid van Zijn lichaam, en staat in betrekking tot ieder Zijner medechristenen als een medelid, vers 27 :Gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Ieder is een lid van het lichaam, niet het gehele lichaam, ieder staat met het lichaam in verband als een deel ervan, en allen hebben gemeenschappelijk verband met elkaar, hangen van elkaar af en moeten voor elkaar zorg en belangstelling hebben. Zo gaat het met de leden van het natuurlijke lichaam. Zo moet het ook zijn met de leden van het mystieke lichaam. Wederzijdse onverschilligheid, veel meer nog twist, haat, afgunst en strijd, zijn voor Christenen zeer onnatuurlijk. Het is gelijk of de leden van een menselijk lichaam alle belangstelling voor elkaar verloren en samen gingen twisten. Des apostels oogmerk met deze redenering is een poging om hun hoogmoed, ijdelheid en twistziekte, welke onder de Corinthiërs ontstaan waren naar aanleiding van hun geestelijke gaven, te onderdrukken.
2. De verscheidenheid van bedieningen, door Christus ingesteld, en de genadegaven door Hem uitgedeeld, vers 28. God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, de voornaamste dienaren, toegerust met al de gaven, die nodig waren om de kerk te stichten en Gods gehelen wil te openbaren.
Ten tweede profeten, of personen, door ingeving bekwaam gemaakt om te profeteren, de Schrift uit te leggen. of door ingeving te schrijven gelijk de Evangelisten deden. Ten derde leraars, zij die in het Woord en de leer arbeiden, hetzij met of zonder aanstelling tot dienaren. Daarna krachten, zij die wonderen verrichten. Daarna gaven der gezondmakingen, zij die de macht hadden ziekten te genezen.
Behulpsels, zij die roeping gevoelden om zieken en zwakken te helpen en daarvoor geroepen werden. Regeringen, zij die de beschikking hadden over de liefdegaven der gemeente en deze aan de armen uitdeelden. Menigerlei talen, zulke die verscheidene talen spreken konden. Betrekkelijk deze allen merken wij op:
A. De overvloedige verscheidenheid van gaven en bedieningen. Welk een menigte! Een mild God deelde met ruime hand uit aan de eerste kerk, Hij was niet karig met zijn zegeningen en gunsten! Neen, Hij voorzag hen rijkelijk! Zij hadden geen behoefte, maar groten voorraad, -al wat nodig was, en meer dan dat, alles wat hun aangenaam was.
B. Let op de volgorde der bedieningen en gaven. Zij worden hier in hun volgorde opgenoemd. Die de meeste waarde hebben, vinden de eerste plaats. Apostelen, profeten en leraren, allen gegeven om de mensen te onderwijzen, hen te onderrichten in de dingen Gods, hun geestelijken opbouw te bevorderen, zonder hen kan geen evangelische kennis of heiligheid wassen. Maar de overigen, hoe geschikt ook om te beantwoorden aan de grote bedoelingen van het Christendom, stonden niet zo onmiddellijk in verband met den godsdienst, in den engen zin des woords. God schat de dingen op hun rechte waarde, en dat moeten wij ook doen, en het gebruik der dingen is het beste proefmiddel voor hun waarde. Die hebben de hoogste waarde, die aan de hoogste doeleinden het best beantwoorden. Dat waren de apostolische gaven, die stonden hoger in vergelijking met hen, die alleen wonderen en genezingen konden verrichten. De laatste en laagste plaats in deze opsomming heeft het spreken met vreemde talen. Op zich zelve is die gave de minst-nuttige en bij de andere vergeleken de onbeduidendste. Zieken genezen, armen helpen, kwalen genezen, dat is nuttig, maar hoe nutteloos kan het spreken van andere talen zijn! Dat kan zijn alsof iemand alleen zichzelf vermaakt of bluft. Die man wekt de verwondering op, maar bevordert de stichting niet, en doet zijn hoorders geen goed. En toch blijkt uit Hoofdstuk 14, dat de Corinthiërs vooral deze gave hoog schatten. De beste wijze om hoogmoed te fnuiken is den mensen de werkelijke waarde aan te tonen van hetgeen, waarop ze zich verhovaardigen. Het is maar al te gewoon, dat de mensen het hoogst schatten wat de minste waarde heeft, en het is van groot nut hen te ontnuchteren door hen te bewijzen hoezeer ze zich vergissen.
C. De verscheidenheid in uitdeling van deze gaven, niet alle aan een persoon, niet aan alle personen gelijkelijk. Alle leden en dienaren in de gemeente hebben niet dezelfden rang of dezelfde gaven, vers 29, 30. Zijn ze allen profeten? Zijn ze allen apostelen? Daardoor zou de gemeente tot een monster gemaakt worden, even alsof het gehele lichaam uit oor of oog bestond. Sommigen zijn geschikt voor dezen dienst, anderen voor genen, en de Geest deelt uit aan een iegelijk gelijk Hij wil. Wij moeten tevreden zijn met ons eigen aandeel en onzen eigen rang, ook al zijn die kleiner en lager dan die van anderen. Wij moeten niet trots zijn op ons zelven en anderen verachten, indien wij hoger geplaatst zijn en grotere gaven hebben. Elk lid in het lichaam moet zijn eigen plaats innemen en zijn eigen werk doen, allen moeten elkaar dienen en het welzijn van het gehele lichaam bevorderen, zonder nijd, verachting, verwaarlozing, misbruiking van een der bijzondere leden. Welk een gezegende instelling zou de kerk des Heeren zijn, indien alle leden hun plicht deden!
II. Hij besluit het hoofdstuk met een raad (gelijk men gewoonlijk meent) en een wenk.
1. Een raad om naar de beste gaven te ijveren (charismata ta kreittoona, donapotiora, prestantiora) hetzij naar die welke de meeste waarde in zich zelve hebben, of naar die welke het beste voor anderen dienst doen, en deze zijn in waarheid de kostbaarste in zich zelve, ofschoon de mensen geneigd zijn die gaven het hoogst te waarderen, welke hun roem en achting het meest doen stijgen. Die zijn in waarheid de beste, waardoor God het meest verheerlijkt en Zijne gemeente gesticht wordt. Naar zulke gaven moet het ernstigst geijverd worden. Wij moeten begeren hetgeen het beste en kostbaarste is. Daarom is genade boven gaven te verkiezen, en van de gaven hebben deze den voorkeur, die de nuttigste zijn. Maar sommigen lezen deze woorden niet als een raad, doch als een aanklacht: Zeloot. Gij zijt ijverig naar elkanders gaven. In Hoofdstuk 13:4 is hetzelfde woord met afgunstig vertaald. Gij twist daarover met elkaar. Dat deden ze zonder twijfel. En dit gedrag wordt hier door den apostel bestraft en zo mogelijk verbeterd. Uit den hoogmoed komt twist voort. De hoogmoed was de oorsprong van de twisten onder de Corinthiërs. Het waren twisten over den voorrang (zoals de meeste twisten onder de Christenen, met welke mooie voorwendsels ze ook verguld mogen worden), en het is geen wonder dat twisten over den voorrang de liefde uitdoven. Wanneer allen de hoogste plaats wilden bekleden, bevreemdt het niet dat allen hun broederen wilden verdringen, op zij werpen, naar omlaag stoten. Gaven moeten gewaardeerd worden naar haar nut, maar ze zijn nadelig zodra ze gemaakt worden tot een bron van hoogmoed en tweedracht. Dat tracht de apostel dus te voorkomen. 2. Door hun een wenk te geven van een uitnemender weg, namelijk van liefde, wederzijdse liefde en goedwilligheid. Dit was de enige rechte weg om hen te doen bedaren en aan elkaar te verbinden, en te maken dat hun gaven besteed werden tot voordeel en opbouw der gemeente. Dit zou hen vriendelijk jegens elkaar maken, oplettend voor elkaar, en daarom hen doen bedaren en een eind maken aan hun kleine onverdraagzaamheden en hun twisten over den voorrang. Zij zouden tonen de voornaamsten te zijn volgens den apostel, die de meeste Christelijke liefde hadden. Ware liefde is verreweg te verkiezen boven de uitnemendste gaven. Het is veel beter dat de harten gloeien van wederzijdse liefde dan dat ze blaken van de mooiste titels, bedieningen en vermogens.