Richteren 14:10-20
Wij hebben hier een bericht van Simsons bruiloft, en de gelegenheid, die hij er door kreeg om slaags te raken met de Filistijnen.
1. Simson gedroeg zich naar de gewoonte van het land door een feest aan te richten voor zijn bruiloft, dat zeven dagen aanhield, vers 10. Hoewel hij een nazireër was wilde hij toch voor een zaak van die aard niet zonderling schijnen, maar deed zoals de jongelingen plachten te doen bij zulke gelegenheden. Het behoort niet tot de Godsdienst om ons aan te kanten tegen de onschuldige gewoonten van de plaats, waarin wij wonen, ja meer, het is een versmaadheid voor de Godsdienst indien zij, die hem belijden, rechtmatige aanleiding geven aan anderen, om hen gierig, gluiperig en enghartig te noemen. Een goed man moet er naar streven om zich, in de besten zin van hte woord, een goed metgezel te tonen.
II. De bloedverwanten van zijn vrouw bewezen hem de gewone beleefdheid van de plaats bij deze gelegenheid, en brachten dertig jongelingen tot hem om hem gedurende het feest gezelschap te houden, en hem als bruidsjonkers te dienen. Als zij hem zagen, vers 11, zagen welk een schoon man hij was, en hoe bevallig en vernuftig een voorkomen hij had, brachten zij deze jongelingen tot hem om hem eer te bewijzen en van zijn omgang te profiteren, terwijl hij onder hen verbleef. Of liever, als zij hem zagen, zagen welk een sterk, kloek man hij was, brachten zij deze tot hem, schijnbaar om zijn metgezellen te zijn, maar in werkelijkheid om een wacht bij hem te wezen en hem te bespieden. Zij waren reeds naijverig genoeg op hem, maar zij zouden het nog meer geweest zijn, indien zij van zijn overwinning over de leeuw geweten hadden, die hij dus zorgvuldig voor hen verborgen hield. In de gunsten van de Filistijnen is dikwijls de een of andere boze bedoeling verborgen.
III. Om het gezelschap te onderhouden, stelt Simson hun een raadsel voor en gaat een weddenschap met hen aan, dat zij het in geen zeven dagen kunnen raden, vers 12-14. Het schijnt een aloud gebruik te zijn geweest, om bij zulke gelegenheden, als vrienden bij elkaar waren op onschuldige wijze vrolijk onder elkaar te zijn, en niet al de tijd in vervelend eten en drinken door te brengen, zoals bisschop Patrick het uitdrukt, of in een andere bevrediging van de zinnen, zoals muziek en dans of toneelvoorstellingen, maar vragen voor te stellen, waardoor verstand en vernuft op de proef gesteld en geoefend werden. Dit betaamt aan mannen wijze mannen, die prijs stellen op verstand en wetenschap, maar zeer ongelijk hieraan zijn de schandelijke en erger dan dierlijke feestvieringen van deze ontaarden tijd, waarbij slechts de beker rondgaat en zogenaamd op de gezondheid gedronken wordt totdat het verstand verdronken is en de wijsheid verdwijnt.
1. Simsons raadsel was van zijn eigen vinding, want het was zijn eigen heldendaad, die er het onderwerp van was. Spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. Los mijn raadsel op, wat is er de betekenis van? Roofdieren leveren geen spijs op voor de mens, en toch kwam er voedsel uit de verslinder, en dieren, die sterk zijn, terwijl zij nog leven, zullen gewoonlijk sterk rieken en op allerlei wijze walgelijk zijn als zij dood zijn zoals dit met paarden het geval is, en toch uit de sterke of uit de bittere, zoals de Syrische en Arabische overzettingen luiden, kwam zoetigheid. Als zij nu slechts zoveel verstand hadden om te bedenken welke eter de sterkste en welke spijs het zoetst is, zij zouden het raadsel uitgevonden hebben, en noch leeuwen noch honing waren vreemd aan hun land, zodat de gedachte er aan wèl bij hen kon opkomen. De oplossing van het raadsel zou hem gelegenheid hebben gegeven om hen te vermaken met het verhaal van het voorval, dat er de aanleiding toe was. Dit raadsel is toepasselijk op velen van de methoden van de Goddelijke voorzienigheid en genade. Als God door Zijn besturende voorzienigheid uit kwaad goed doet voortkomen voor Zijn kerk en Zijn volk, als hetgeen hun ondergang dreigde, tot hun voordele blijkt te zijn, als hun vijanden hun dienstbaar worden gemaakt, en de grimmigheid van de mensen God loffelijk maakt, dan komt spijs uit de eter, en zoetigheid uit de sterke. Zie Filipp. 1:12.
2. Zijn weddenschap was hoger voor hem dan voor hen, daar hij alleen was tegenover dertig. Die weddenschap was niet op Gods voorzienigheid. of op de kansen van dobbelsteen of kaart, maar op hun vernuft, en was dus slechts een eervolle beloning voor verstand en vernuft en een schande voor domheid.
IV. Toen zijn metgezellen het raadsel niet konden verklaren, dwongen zij zijn vrouw om de uitlegging er van uit hem te verkrijgen, vers 15. Of zij nu wezenlijk beperkt van verstand waren, of toen slechts onder een bijzondere verblindheid waren, vreemd is het dat in al die tijd geen van de dertig op zo eenvoudig een zaak kon komen als: Wat is zoeter dan honing, en wat is sterker dan een leeuw? In vernuft, zowel als in zeden en manieren, schijnen zij barbaars te zijn geweest, voorzeker was het barbaars van hen om de bruid te dreigen, dat zij haar en haars vaders huis met vuur zouden verbranden als zij geen pogingen aanwendde bij de bruidegom om de oplossing uit hem te krijgen. Kon er iets meer dom en onmenselijk zijn? Het was laag genoeg om scherts tot ernst te maken, en zij waren een beschaafden omgang onwaardig, die, om hun onwetendheid niet te bekennen en zo klein een weddenschap niet te verliezen, de toevlucht wilden nemen tot geweld, en het zou toch ook hun eer niet gered hebben om de oplossing van het raadsel te geven, als hun die oplossing eerst was meegedeeld. En nog schandelijker was het om Simsons huisvrouw aan te zetten om haar eigen man te verraden, en te eisen dat zij meer zou geven om hen dan om hem. Nu zij gehuwd was, moest zij haar volk vergeten. Maar het onmenselijkst van alles was te dreigen, dat, zo zij niet bij haar man kon overmogen, zij haar en al haar bloedverwanten met vuur zouden verbranden, en dat alles uit vrees, dat zij ieder de waarde zouden verliezen van een lijnwaadskleed en een wisselkleed. Hebt gijlieden ons genodigd om het onze te bezitten? Diegenen moeten geen weddenschap aangaan, die niet met meer kalmte kunnen verliezen dan dezen.
V. Door onredelijk aandringen verkrijgt zijn vrouw de sleutel van het raadsel van hem. Het was op de zevende dag, dat is: de zevende dag van de week, (zoals Dr. Lightfoot gist) maar op de vierden van het feest, dat zij aanzoek bij haar deden, om haar man te verlokken, vers 15, en zij deed het:
1. Met veel list en beleid, vers 16, voorgevende niet te geloven dat hij haar liefhad tenzij hij haar hierin ter wille was. Zij wist, dat hij het niet kon dragen, dat zij twijfelde aan zijn liefde, zo er dus iets was, dat een werking op hem kon doen, dan was dit het. Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief, indien gij mij dit weigert, terwijl hij veel meer reden had te zeggen: "Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief, indien gij er nog verder op aandringt." En opdat zij dit niet als een proef of bewijs van zijn genegenheid zou houden, verzekert hij haar, dat hij het aan zijn eigen ouders niet heeft gezegd, niettegenstaande het vertrouwen, dat hij in hen stelde. Als dit nu niet helpt, dan zal zij het met de krachtige welsprekendheid van tranen beproeven, zij weende voor hem op de zevende van de dagen waarop zij deze bruiloft hadden, liever de vrolijkheid bedervende, dat de tranen van de bruid ongetwijfeld doen zouden, dan haar doel niet te bereiken en haar landgenoten te verplichten, vers 17. 2. Met groot succes. Haar aanhoudend dringen moede zijnde, zei hij haar wat de betekenis was van het raadsel, en hoewel zij naar wij kunnen veronderstellen geheimhouding beloofde, hem verzekerde dat, zo hij het haar slechts mededeelde, zij het aan niemand zeggen zou, heeft zij het toch terstond de kinderen van haar volk verklaard. Hij kon ook niets beters verwachten van een Filistijnse vrouw, inzonderheid als de belangen van haar volk er ook maar in het minst mee gemoeid waren. Zie Micha 7:5, 6. Het raadsel wordt ten slotte ontraadseld, vers 18. Wat is zoeter dan honing, of een betere spijze? Spreuken 24:13. Wat is sterker dan een leeuw, of een groter verslinder? Simson erkent grootmoedig dat zij de weddenschap gewonnen hebben, hoewel hij gegronde reden had om het te betwisten, omdat zij het raadsel niet verklaard hadden, zoals de overeenkomst was, vers 12, maar het hun verklaard was. Maar hij vond slechts goed hun dit te zeggen: Zo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, geen gebruik hadt gemaakt van uw invloed op mijn vrouw gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden. Satan zou ons in zijn verzoekingen het kwaad niet kunnen doen, dat hij ons doet, indien hij niet ploegde met het kalf van onze eigen verdorven natuur.
Vl. Simson betaalt zijn weddenschap aan deze Filistijnen met de roof van anderen van hun landgenoten, vers 19. Hij nam deze gelegenheid waar om met de Filistijnen te twisten, ging af naar Askelon, een van hun steden, waar, naar hij wist een groot feest gevierd werd omtrent deze tijd, waarop velen samenkwamen uit wie hij dertig man uitkoos, hen versloeg hun klederen nam, en ze gaf aan hen, die het raadsel verklaard hadden. Zodat, bij het opmaken van de balans, de Filistijnen de verliezers waren, want een van de levens, die zij verloren, was al de klederen waard, die zij hadden gewonnen. De Geest van de Heere werd vaardig over hem, zowel om hem te machtigen als om hem bekwaam te maken dit te doen.
Eindelijk. Dit blijkt een goede gelegenheid om Simson los te maken van zijn nieuwe verwanten. Hij zag hoe zijn metgezellen hem hebben bedrogen, en hoe zijn vrouw hem had verraden, en daarom ontstak zijn toorn, vers 19. Beter in toorn te zijn ontstoken tegen de Filistijnen, dan hen te beminnen, als wij ons met hen verenigen, dan zijn wij het meest in gevaar om door hen verstrikt te worden. En deze slechte behandeling onder hen ondervonden hebbende, ging hij op naar zijns vaders huis. Het zou goed voor ons zijn, indien de onvriendelijkheid die wij ervaren van de wereld, en onze teleurstelling in haar, die goede uitwerking op ons had, dat het ons uitdrijft om door geloof en gebed terug te keren naar het huis van onze hemelse Vader, om daar te rusten. De ongemakken, die wij op onze weg ontmoeten, moeten ons ons thuis doen liefhebben en doen verlangen om er te zijn. Niet zodra was hij heengegaan, of zijn vrouw werd aan een ander gegeven, vers 20. Inplaats van hem om vergeving te vragen voor het kwaad, dat zij hem gedaan had, toen hij er haar zijn rechtmatigen toorn over te kennen gaf, door zich slechts voor een tijd van haar te onttrekken, huwt zij terstond hem, die de voornaamste van zijn gasten is geweest, de vriend van de bruidegom, die zij misschien maar al te liefhad en maar al te graag wilde verplichten, toen zij haar echtgenoot er toe bracht om haar het raadsel te verklaren. Zie hoe weinig er op de mens te vertrouwen is, als diegene onze vijanden blijken te zijn, die wij als vrienden hebben behandeld.