15. Dit alles, en daaronder ook zeer zeldzame dingen, heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid, d.i. gedurende den tijd, dat ik dit ijdele en vluchtige leven geniet; er is b.v. een rechtvaardige, die zeer streng is in de uitwendige vervulling van Gods geboden en de goddeloosheid der heidenen vliedt, en die in en ondanks zijne gerechtigheid, welke inderdaad slechts ene schijnbare was, omkomt, hetzij door een tijdelijk ongeluk, waarbij hij aan Gods genade en gerechtigheid vertwijfelt, hetzij dat hij aan een eeuwig verderf wordt prijs gegeven; daarentegen is er een goddeloze, die zich om Gods geboden niet bekommert, en die inen ondanks zijne boosheid zijne dagen verlengt en ten minste schijnbaar gelukkig leeft.
Zo als uit het volgende vers duidelijk blijkt heeft de Prediker hier die eigengerechtigheid en schijnheiligheid op het oog, die de Heere zo dikwijls in de Farizeën van Zijnen tijd moest bestraffen, en waarvan ook de bovengenoemde rechtvaardige niet vrij te pleiten was.. 16. Alzo niet op elke gerechtigheid, gelijk de mens die opvat, rust Gods welgevallen; zoek daarom de ware vreze Gods: Wees niet al te rechtvaardig, zodat gij in hoogmoedige eigengerechtigheid vergeet, dat gij slechts een arm en ellendig zondaar zijt, en niet meer bidt: o God! wees mij zondaar genadig! (Lukas 18:13. Mattheus 5:20), noch houd u zelven al te wijs, 1) zodat gij uw best doet, om door de mensen als enen wijze aangezien en als zodanig geëerd te worden (Mattheus 23:7); waarom zoudt gij verwoesting over u brengen. 2)
1) Dat is: bestuur u in zake van billijkheid en recht door de regelen van voorzichtigheid en laat u in dezen door geen menselijken ijver, noch door onmatige driften, of andere onbetamelijke handelwijzen, die met uwe kenschets strijden en gevaarlijk zijn voor uwe belangen, wegslepen en u zelven benadelen. Men kan al te mildadig zijn in het weldoen. De vernedering en zelfverzaking van het vlees is goed, maar als zij onze gezondheid benadeelt, en ons ten dienste van God onbekwaam maakt, dan zijn we al te rechtvaardig. Ook is men al te wijs, als men waanwijs en laatdunkend is, of zich veel op zijne eigene bekwaamheden laat voorstaan en zich tot een wetgever en raadsman voor elk opwerpt, alsof men alles wist, en eens anders zaken zo wel of beter verstond als zijn eigen. Het zijn dwazen, die zich in zaken steken of in twisten mengen, die hen niet aangaan..
Wij hebben hier de zelfde raadgeving, welke de Heere Christus uitspreekt: Weest oprecht als de duiven, en voorzichtig als de slangen. De ware oprechtheid of rechtvaardigheid moet met de zo hoog nodige voorzichtigheid gepaard gaan.
2) Rechtvaardigheid en wijsheid zijn goed en heilzaam, waard om nagejaagd te worden, maar zelfs daarin is ene overschrijding van de rechte macht mogelijk (Luther herinnert aan het summum jus summa injuria), hetwelk tengevolge heeft, dat zij den mens verderflijk worden, wijl hij daartoe tot een karikatuur wordt en nog ten val komt, wijl hij van het ene uiterste in het andere valt, of door anderen wier haat hij te voorschijn roept, uit den weg wordt geruimd..