Markus 1:14-22
Hier is: l. Een bericht in het algemeen van Christus' prediking in Galilea. Johannes geeft een bericht van Zijne prediking in Judea, voor dien tijd, Hoofdstuk 2 en 3, dat door de andere evangelisten nagelaten is, daar dezen voornamelijk mededelen wat in Galilea is voorgevallen, omdat dit het minst bekend was in Jeruzalem. Merk op:
1. Wanneer Jezus begon te prediken in Galilea: nadat Johannes overgeleverd was. Toen Johannes zijn getuigenis had voleindigd, begon Jezus het Zijne. Als Christus' dienaren tot zwijgen worden gebracht, dan wordt hiermede Christus' Evangelie toch niet teniet gedaan. Als sommigen ter zijde worden gelegd, zullen anderen worden opgewekt, die wellicht krachtiger zijn dan zij, om hetzelfde werk voort te zetten.
2. Wat hij predikte, het Evangelie van het koninkrijk Gods. Christus is gekomen om het koninkrijk Gods onder de mensen op te richten, ten einde hen er aan te onderwerpen, en er de zaligheid in te doen verkrijgen, en Hij heeft het opgericht, door de prediking van het Evangelie, en het vergezeld te doen gaan van kracht. Merk op:
a. De grote waarheden, die Christus predikte: De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Dit verwijst naar het Oude Testament, waarin het koninkrijk van den Messias was beloofd, en de tijd bepaald van de inleiding er van. Zij waren niet zo bekend met deze profetieën, en zij hebben niet zo goed gelet op de tekenen der tijden om ze te kunnen begrijpen, en daarom heeft Christus er hun kennis van gegeven. De tijd, die tevoren vastgesteld was, is nu nabij gekomen. Er worden thans heerlijke ontdekkingen gedaan van Goddelijk licht, leven en liefde, een nieuwe bedeling, oneindig meer geestelijk en hemels dan die onder welke gij totnutoe geleefd hebt, vangt nu aan. God heeft Zijn bestemden tijd, als de tijd vervuld is, is het koninkrijk Gods nabij, want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, daaraan zal Hij zich stipt houden, al vertoeft het ook langer dan onze tijd.
b. De grote plichten, die daaruit voortvloeien. Christus gaf hun de tijden te verstaan, opdat zij zouden weten wat Israël doen moet. Zij hebben dwaselijk verwacht, dat de Messias in uitwendige praal en macht zou verschijnen, niet slechts om de Joodse natie van het Romeinse juk te verlossen, maar haar ook heerschappij te doen hebben over al hare naburen. Daarom dachten zij, toen dit koninkrijk Gods nabij was, dat zij zich nu te bereiden hadden op krijgsoverwinning en verhoging, en grote dingen in deze wereld, maar Christus zegt hun, dat zij in het vooruitzicht van dit koninkrijk, dat nabij komt, zich moeten bekeren en het Evangelie geloven. Zij hadden de zedelijke wet overtreden, en konden door geen verbond van onschuld behouden worden, want beide Jood en heiden zijn onder de zonde besloten. Zij moeten dus gebruik maken van het voorrecht, dat het verbond der genade hun biedt, zij moeten zich onderwerpen aan ene wet der genezing of herstelling, dat is berouw, en bekering tot God en geloof in onzen Heere Jezus Christus. Zij hadden geen gebruik gemaakt van de voorgeschreven voorbehoedmiddelen, en moeten dus nu hun toevlucht nemen tot de voorgeschreven middelen tot herstel. Door berouw en bekering moeten wij onze zonden betreuren en nalaten, en door geloof moeten wij er de vergeving van ontvangen. Door berouw en bekering moeten wij ere geven aan onzen Schepper, dien wij hebben beledigd, door geloof moeten wij ere geven aan onzen Verlosser, die gekomen is om ons zalig te maken van onze zonden. Deze beiden moeten samengaan. Wij moeten niet denken, dat verbetering van ons leven ons zal behouden, als wij daarbij niet tevens betrouwen op de gerechtigheid en genade van Christus, en evenmin moeten wij geloven, dat het vertrouwen op Christus ons zal behouden, als dit niet gepaard gaat met vernieuwing van ons hart en verbetering van ons leven. Christus heeft deze twee tezamen gevoegd en niemand mag ze van elkaar scheiden. Wederkerig zullen zij elkaar steunen en helpen. De bekering zal het geloof verlevendigen, en het geloof zal de bekering evangelisch doen zijn, en van beiden moet de oprechtheid blijken uit een naarstige, nauwgezette gehoorzaamheid aan al de geboden Gods. Aldus is de prediking van het Evangelie begonnen, en aldus gaat zij voort. Nog altijd luidt de roepstem: Bekeert u en gelooft, leeft een leven van bekering en een leven van geloof.
II. Christus verschijnende als leraar, hebben wij hier vervolgens Zijne roeping van de discipelen, vers 16-20. Merk op:
1. Christus wil volgelingen hebben. Als Hij ene school opricht, wil Hij leerlingen hebben, als Hij een standaard opricht, wil Hij krijgsknechten hebben, als Hij predikt, wil Hij hoorders hebben. Hij heeft krachtige, afdoende maatregelen getroffen, om zich die te verzekeren, want allen, die de Vader Hem gegeven heeft, zullen zonder mankeren tot Hem komen.
2. De werktuigen, die Christus verkoos te gebruiken om Zijn koninkrijk op te richten, waren het zwakke en dwaze der wereld, niet gekozen van uit het grote sanhedrin, of de scholen der rabbijnen, maar uit de arme vissers aan de kust, opdat de uitnemendheid der kracht zou blijken geheel en al Godes te zijn, en volstrekt niet uit hen.
3. Hoewel Christus gene hulp van mensen nodig heeft, behaagt het Hem toch gebruik van hen te maken bij de oprichting van Zijn koninkrijk, opdat Hij niet op afschrikkende, maar op gemeenzame wijze met ons zou handelen, en opdat Zijne heerlijken en Zijne heersers uit ons midden zullen zijn, Jeremia 38:21.
4. Christus geeft eer aan hen, die, hoewel gering naar de wereld, vaardig zijn in hun werk en elkaar liefhebben, en aldus zijn zij geweest, die Christus heeft geroepen. Hij vond hen bezig, bezig tezamen. Naarstigheid en eensgezindheid zijn goed en lieflijk, en dáár gebiedt de Heere Jezus den zegen, namelijk dezen zegen: "Volgt Mij".
5. Het werk van Evangeliedienaars is te vissen naar zielen, en ze te winnen voor Christus. In hun natuurlijken toestand zijn de kinderen der mensen verloren, zwalken zij onophoudelijk rond op den groten oceaan der wereld, worden medegevoerd met hare stromingen, en zo zijn zij onnut. Gelijk de leviathan spelen zij in de wateren, en zeer dikwijls zullen zij, gelijk de vissen der zee, elkaar verslinden. In hun prediken van het Evangelie werpen de leraren hun net in de wateren, Mattheus 13:47. Sommigen worden in het net besloten en naar den oever gebracht, maar verreweg het grotere aantal ontkomt. Vissers geven zich veel moeite, en stellen zich bloot aan grote gevaren, dat doen ook leraren, en zij hebben wijsheid nodig. Wordt het net ook menigmaal opgehaald, zonder dat er iets in gevangen is, toch moeten zij voortgaan met het werk.
6. Zij, die door Christus worden geroepen, moeten alles verlaten om Hem te volgen, en door Zijne genade neigt Hij hun hart om dit te doen. Niet, dat wij onmiddellijk uit de wereld moeten uitgaan, maar wij moeten los zijn van de wereld, alles opgeven en verlaten, dat onbestaanbaar is met onzen plicht jegens Christus en niet zonder schade voor onze ziel behouden kan worden. Markus bericht ons, dat Jakobus en Johannes niet slechts hun vader verlieten (dat ook door Mattheus wordt meegedeeld) maar ook de huurlingen, de gehuurde knechten, die zij wellicht liefhadden als hun eigen broeders, daar zij hun medearbeiders en vriendelijke metgezellen waren. Niet slechts bloedverwanten, ook vrienden en metgezellen moeten wij verlaten om Christus te volgen. Wellicht geeft dit hun zorg te kennen voor hun vader, zij lieten hem niet zonder hulp, zij lieten de huurlingen bij hem. Hugo de Groot is van mening, dat dit vermeld wordt als een blijk, dat hun beroep winstgevend was, daar zij huurlingen in hun dienst konden houden om er hen behulpzaam in te zijn, en zij dus wel zeer gemist zouden worden, en toch hebben zij het verlaten.
III. Hier is een bijzonder bericht van Zijne prediking in Kapernaum, een der steden van Galilea, want hoewel Johannes de Doper verkoos in een woestijn te prediken, en daar wèl aan deed, en er veel goeds mede uitgericht heeft, volgt daar toch niet uit, dat Jezus dit ook moet doen, de neigingen en gelegenheden der leraren kunnen zeer verschillend zijn, terwijl ieder hunner dan toch in den weg des plichts en zeer nuttig is. Toen Christus binnen Kapernaum kwam, heeft Hij zich daar terstond tot Zijn werk begeven, en maakte Hij gebruik van de eerste gelegenheid om het Evangelie te prediken. Wie bedenkt hoe veel werk er te doen is, en hoe weinig tijd er is om het te doen, zal er wel zorg voor dragen geen tijd te verliezen. Christus heeft met grote nauwgezetheid den sabbat waargenomen, hoe- wel Hij zich daarbij niet door de overleveringen der ouden liet binden ten opzichte van al de nietige bijzonderheden omtrent de sabbatsrust, maar (hetgeen veel beter was) door zich toe te leggen op en overvloedig te zijn in het sabbatswerk, waartoe de sabbatsrust was ingegesteld. De sabbat moet geheiligd worden in de Godsdienstige bijeenkomsten, indien wij daar de gelegenheid toe hebben, Het is een heilige dag, en hij moet geëerd worden door een heilige samenroeping. Dit was de goede oude gewoonte, Handelingen 13:27, 15:21. Op den sabbatdag tois sabbasin - op de sabbatdagen, elke sabbatdag, even regelmatig als hij terugkeerde, ging Hij in de synagoge. ln de Godsdienstige vergaderingen op de sabbatdagen moet het Evangelie worden gepredikt, en moeten diegenen onderwezen worden, die gewillig zijn de waarheid te leren, gelijk zij is in Jezus. Christus was een prediker zoals er geen ander geweest is, Hij heeft niet gepredikt zoals de Schriftgeleerden, die de wet van Mozes verklaarden op de wijze zoals een schooljongen zijne les opzegt, maar er noch mede bekend waren, (Paulus zelf was, toen hij nog een Farizeeër was, er onbekend mede) noch er door aangedaan of gesticht werden. Het kwam niet uit het hart, en daarom kwam het ook niet met gezag. Maar Christus leerde ons als machthebbende, als die de bedoeling Gods kende, en gezonden was om haar bekend te maken. Er is in de leer van Christus veel dat verbazingwekkend is, hoe meer wij haar horen, hoe meer reden wij zullen zien om haar te bewonderen.