Markus 12:13-17
Als de vijanden van Christus, die dorstten naar Zijn bloed, geen gelegenheid tegen Hem konden vinden uit hetgeen Hij tot hen gezegd had, dan trachtten zij Hem door hun strikvragen te vangen. Hier verzoeken zij Hem, of liever beproeven zij Hem met ene vraag over het al of niet geoorloofde van den keizer schatting te geven. Wij hadden dit verhaal in Mattheus 22:15.
I. De personen, die zij daartoe gebruikten, waren de Farizeeën en de Herodianen, mensen die in deze zaak tegenover elkaar stonden, maar toch samenwerkten tegen Christus, vers 13. De Farizeeën waren grote voorstanders van de vrijheid der Joden, indien Hij nu zou zeggen: Het is geoorloofd den keizer schatting te geven, dan zouden zij het gemene volk tegen Hem opzetten, en heimelijk zouden de Herodianen hen hierin behulpzaam zijn. De Herodianen waren grote voorstanders van de Romeinse heerschappij, en indien Hij betalen van schatting aan den keizer misbillijkte, dan zouden zij den landvoogd tegen Hem in woede doen ontsteken, en de Farizeeën zouden, tegen hun eigen beginsel in, hieraan mededoen. Het is niets nieuws dat zij, die het omtrent andere dingen onderling oneens zijn, zich tegen Christus saamverbinden.
II. Zij wendden voor dat zij Hem een gewetensvraag ter beslissing wensten voor te leggen, die in de tegenwoordige omstandigheden van groot belang en gewicht was, en zij nemen den schijn aan alsof zij een hogen dunk hadden van Zijne bekwaamheid om haar op te lossen, vers 14. Zij gaven Hem hogen lof, noemden Hem Meester, erkenden Hem als een leraar van den weg Gods, een leraar, die den weg Gods in der waarheid leert, iemand, die leerde wat goed was en naar beginselen der waarheid, die door geen goedkeurende glimlachjes en door geen toornig fronsen der wenkbrauwen er toe gebracht kon worden om ook maar een voetstap van den regel der billijkheid en der Godsvrucht af te wijken. Wij weten, dat gij naar niemand vraagt, want gij ziet den persoon der mensen niet aan. Gij zijt niet bevreesd om, van den enen kant, den landvorst, en van den anderen kant, het volk te mishagen. Gij zegt niets, en gij doet niets dan wat recht en billijk is. Als zij nu meenden wat zij zeiden, dan was hun vervolging en terdoodbrenging van Hem als een bedrieger ene zonde tegen beter weten in, zij kenden Hem en toch kruisigden zij Hem. Maar eens mensen getuigenis zal het sterkst tegen zich zelven gericht blijken, want uit hun eigen mond zullen zij geoordeeld worden. Zij wisten dat Hij den weg Gods in der waarheid leerde, en toch verwierpen zij den raad Gods tegen zich zelven. De betuigingen en het voorgeven der geveinsden zal als getuigenis tegen hen worden aangevoerd, en zo zullen zij dan door zich zelven geoordeeld worden. Maar indien zij dit niet wisten of geloofden, dan hebben zij Gode gelogen met hun mond en Hem gevleid met hun tong.
III. Hun vraag was: Is het geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet? Zij wilden gehouden worden voor mensen, die verlangen hun plicht te kennen. Als een volk, dat gerechtigheid doet, vragen zij God naar de rechten der gerechtigheid, terwijl zij in werkelijkheid niets anders begeerden dan te weten wat Hij zou zeggen, in de hoop van Hem, voor welke zijde Hij zich ook zou verklaren, te kunnen beschuldigen. Er is niets, waardoor leraren meer waarschijnlijk verstrikt zullen worden, dan door hen te mengen in twistgedingen over burgerlijk recht, en het vaststellen der grenzen tussen vorst en onderdaan, hetgeen wel behoort gedaan te worden, maar niet behoort gedaan te worden door hen. Zij schenen de beslissing in deze zaak aan Christus over te laten, en Hij was ook in waarheid wel geschikt om haar te beslissen, want door Hem regeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid. Zij hebben de vraag goed voorgesteld: Zullen wij geven, of niet geven? Zij schenen besloten zich bij Zijne uitspraak neer te leggen: "Indien gij zegt dat wij schatting moeten betalen, dan zullen wij het doen, al worden wij er door dan ook tot den bedelstaf gebracht. Indien gij zegt dat wij geen schatting moeten geven, dan zullen wij haar niet geven, al moeten wij er dan ook voor verraders om gehouden worden." Velen schijnen begerig hun plicht te kennen, die gans niet geneigd zijn hun plicht te doen, zoals dat met deze hovaardige lieden het geval was, Jeremia 42:20.
IV. Christus besliste de vraag en vermeed den strik door hen te wijzen op de nationale bewilliging, die reeds gegeven was, en waardoor zij er reeds van buitengesloten waren om nog over deze zaak te twisten, vers 15-17.
Hij kende hun geveinsdheid, de boosaardigheid, die zij in hun hart jegens Hem koesterden, terwijl zij Hem met hun mond al die liefde betuigden. Hoe behendig men ook zij met de geveinsdheid, voor den Heere Jezus kan zij niet verborgen blijven. Hij ziet de potscherf, al is zij ook met schuim van zilver overtogen. Hij wist dat hun bedoeling was Hem te verstrikken, en daarom heeft Hij de zaak zo behandeld, dat zij verstrikt werden, dat zij zich door hun eigen woorden verplichtten te doen, wat zij niet wilden doen, namelijk hun belasting eerlijk en rustig op te brengen, en Hij zich tegelijk tegen hun tegenwerpingen kon beschutten. Hij noodzaakte hen te erkennen dat de gangbare munt onder hun volk Romeinse munt was, met den beeldenaar des keizers aan de ene zijde en een opschrift op de keerzijde. Dit zo zijnde, kon de keizer over hun geld ten algemenen nutte beschikken, omdat hij den staat moet besturen en beschermen, en de kosten daarvoor behoren door het algemeen te worden gedragen: Geeft den keizer dat des keizers is. De omloop van het geld gaat uit van hem, als de bron, en daarom moet het tot hem terugkeren. Zover het het zijne is, moet het hem gegeven worden, en in hoever het het zijne is en door hem geëist kan worden, moet beslist worden naar de wet van het rijk, die het prerogatief van den vorst en den eigendom van den onderdaan vastgesteld heeft. De keizer had niet te gebieden over hun geweten, en daar maakte hij ook geen aanspraak op, hij heeft generlei verandering voorgesteld in hun Godsdienst. "Betaalt dus uwe belastingen zonder te murmureren of te twisten, maar houdt tevens wèl in gedachte, dat gij Gode geeft wat Godes is." Wellicht verwees Hij naar de gelijkenis, die Hij zo-even had voorgesteld, en waarin Hij hen veroordeeld heeft, omdat zij den Heer des wijngaards de vrucht niet gaven, vers 2. Velen, die zeer zorgzaam schijnen om aan de mensen te geven wat hun toekomt, bekommeren er zich in het geheel niet om, om aan God de eer Zijns naams te geven, terwijl ons hart en onze beste genegenheden Hem evenzeer toekomen, als ooit pacht aan een landheer of schatting aan een vorst toekwam. Allen, die Christus hoorden, verwonderden zich over de wijze voorzichtigheid van Zijn antwoord, en met hoeveel schranderheid Hij den strik vermeden heeft, maar ik betwijfel of het iemand hunner er toe gebracht heeft om, gelijk zij hadden behoren te doen, zich zelven aan God te geven. Velen zullen de schoonheid en het vernuft van ene leerrede prijzen, die zich voor de Goddelijke wetten, in die leerrede aangetoond, toch niet willen buigen.