Klaagliederen 3:55-66
Door dit hele hoofdstuk heen kunnen wij een strijd opmerken in de borst van de profeet, tussen verstand en geloof, tussen vrees en hoop, hij klaagt en troost daarna zich zelf, dan verliest hij de troost weer en begint opnieuw te klagen, als in Psalm 42. Maar, evenals daar, krijgt ook hier, het geloof het laatste woord en blijft overwinnaar, want in deze verzen besluit hij met enige vertroosting. Twee dingen zijn het, waarmee hij zich troost:
I. De ondervinding van Gods goedheid, zelfs in zijn beproeving. Dit kan betrekking hebben op de persoonlijke ervaring van de profeet, wanneer hij zich bemoedigt ten opzichte van de algemene jammer. Hij, die te rechter tijd afzonderlijke heiligen geholpen heeft, zal de kerk in `t algemeen ook niet in de steek laten. Of: het kan ook het overblijfsel van goede mensen zijn, dat nog onder de Joden was, en die bevonden hadden, dat het niet vergeefs was, op de Heere te wachten. In drieërlei opzicht hadden de profeet en zijn vrome vrienden bevonden, dat God goed voor hen was.
1. Hij had hun gebed gehoord, hoewel zij bijna gevreesd hadden, dat de wolk des toorns zo dik was, dat er geen gebed doorkwam, vers 44, toch komen zij bij nader overwegen, of tenminste na verdere ondervinding, tot andere gedachten, dat God namelijk niet tot hen gezegd had: Zoekt mij tevergeefs. Toen zij in de ondersten kuil waren, als afgezonderd onder de doden, hebben zij Gods naam aangeroepen, vers 55 :hun wezen belette hen niet te bidden. Al zijn wij in nog zo'n diepe kuil geworpen, toch kunnen wij daaruit een toegangsweg tot God vinden in de hoogste hemelen. "Uit de diepten roep ik tot U," Psalm 130:I, zoals Jona uit de buik van de walvis. En kon God hen horen uit de ondersten kuil, en wilde Hij? Ja, Hij deed het: "Gij hebt mijn stem gehoord, " en sommigen menen, dat de volgende woorden een vervolg zijn op deze dankbare erkenning: "Gij verborg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen, en het oorspronkelijke is met die lezing niet in strijd. Wij lezen het als een verzoek om verder gehoor. Verberg Uw oor niet." Dat God onze stem gehoord heeft, als wij tot Hem riepen, zelfs uit de onderste kuil, is een bemoediging voor ons om te hopen, dat Hij niet te eniger tijd Zijn oor verbergen zal.
Merk op. hoe hij het gebed zijn zuchten noemt, want in het gebed zuchten wij tot God, wij zuchten Hem achterna. Al zijn wij maar zwak in het gebed, en kunnen niet luide roepen, maar alleen spreken met onuitsprekelijke zuchten toch zal God ons niet aan ons lot overlaten, als wij oprecht zijn. Het gebed is de verzuchting van de nieuwe mens, die snakkend naar de lucht van de genade, bidt, en denkt als hij op adem gekomen is, het is beide een bewijs van de instandhouding van het geestelijk leven. Sommigen lezen: "als ik nabij de dood ben"." Toen ik de dood nabij was, en op `t punt de laatste adem uit te blazen, en dacht, dat ik sterven ging, toen naams gij kennis van mijn treurig lot."
2. Hij had hun vrees tot zwijgen en hun geest tot rust gebracht, vers 57 :"Gij zijt genaderd ten dage, als ik U aanriep, Gij verzekerde mij genadig van Uw tegenwoordigheid bij mij, en deedt mij zien, dat Gij mij nabij waart, terwijl ik dacht, dat Gij op een afstand waart van mij." Als wij tot God naderen op de weg van de plicht, zullen wij door het geloof zien, dat Hij ons nadert op de weg van de genade. Maar dit was niet alles: "Gij hebt gezegd: Vrees niet." Het was de taal van Gods profeten, die tot hen zeiden, dat zij niet moesten vrezen, Jesaja 41:10,13,14, van Zijn leiding, die voorkwam de dingen, waarvoor zij bevreesd waren, en van Zijn genade, die hen tot rust bracht en gerust maakte, door de getuigenis van Zijn geest in hun geest, dat zij nog steeds Zijn volk waren, hoezeer in ellende, en daarom niet moesten vrezen. 3. Hij was reeds begonnen voor hen op te treden, vers 58 :"Heere, Gij hebt de twistzaak van mijn ziel getwist", dat is: zoals volgt, Gij hebt mijn leven verlost, hebt mij gered uit de handen van hen, die het weg wilden nemen, hebt het gered, toen het op `t punt was verslonden te worden, hebt het mij tot een buit gegeven." En dit is een bemoediging voor hen om te hopen, dat Hij ook verder voor hen optreden zou: "Gij hebt mijn ziel gered van de dood en zult daarom mijn voeten van aanstoot bewaren, Gij hebt de twistzaak van mijn ziele getwist en zult daarom ook mijn andere twistzaken twisten".
II. In de tweede plaats troost hij zich met een beroep op Gods rechtvaardigheid en op Zijn alwetendheid om het vonnis te kunnen vellen.
1. Hij beroept zich op Gods kennis van de feiten, hoe wrevelig en boosaardig zijn vijanden waren, vers 59 :"Heere, Gij hebt gezien de verkeerdheid, dat ik geen onrecht gedaan heb, maar veel van hun verkeerdheid geleden." Hij, die alle dingen weet.
a. Hun boosheid tegen hen, "Gij hebt al hun wraak gezien, hoe zij verlangen mij kwaad te doen, als `t ware bij wijze van vergelding voor een groot onrecht, dat ik hun gedaan had. Wij moeten tot onze schrik en tot onze lering, bedenken, dat God alle wraakzuchtige gedachten kent, die wij in ons hart tegen anderen koesteren, en daarom behoren wij die gedachten geen voet te geven of te onderhouden, en dat Hij alle wraakzuchtige gedachten kent, die anderen zonder oorzaak tegen ons in hun hart hebben, en daarom moeten wij niet bevreesd voor hen zijn, maar onze bescherming aan Hem overlaten."
b. De plannen en ontwerpen, die zij gemaakt hadden om hem kwaad te doen: Gij hebt al hun gedachten tegen mij gezien, vers 60, en wederom: "Gij hebt al hun gedachten tegen mij gehoord, vers 61, beide hun verlangen en hun plan om mij te doden, of het woorden of daden zijn, het is U bekend, ja, hoewel de resultaten er van te zien noch te horen zijn, toch worden hun gedachten tegen mij de hele dag bemerkt en begrepen door Hem, voor Wien alle dingen naakt en geopend zijn." De geheimste plannen van de vijanden van de kerk zijn volkomen bekend aan de God van de kerk, voor Wien zij niets kunnen verbergen.
c. De verachting en de laster, waarmee zij hen overstelpten, alle minachtende woorden over hem, en alle smadende woorden tegen hem: Gij hebt hun smaden gehoord, vers 61, alle slechtheid, die zij mij ten laste leggen dingen, waarvan ik niets weet, alle middelen, waarvan zij gebruik maken om mij hatelijk en verachtelijk te maken, zelfs de lippen dergenen, die tegen mij opstaan, vers 62, de schimpen, de woorden, die zij gebruiken als zij van mij spreken, bij hun zitten en bij hun opstaan `s avonds, als zij zich neerleggen, en `s morgens, als zij opstaan, wanneer zij zich neerzetten met hun vrienden om te eten, en als zij opstaan, om te vertrekken, ben ik hun snarenspel, zij maken zichzelf en elkaar vrolijk met mijn ellende, zoals de Filistijnen met Simson. Jeruzalem was de trommel, waarop zij speelden. Misschien hadden zij een wijsje of toneelstuk, een opera of entre-acte, getiteld: "De verwoesting van Jeruzalem," dat, hoewel in de vorm van een treurspel, zeer onderhoudend was voor hen, die de heilige stad een kwaad hart toedroegen. God zal eenmaal de zondaars ter verantwoording roepen over alle harde woorden, die zij tegen Hem en Zijn volk gesproken hebben. Hij beroept zich op Gods oordeel ten opzichte van dit feit: "Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft," er zijn geen getuigen nodig om het te bewijzen, zelfs geen aanklacht om de feiten te noemen, Gij ziet ze zoals ze zijn, en nu laat ik het aan U over. Oordeel mijne rechtzaak, vers 59. Laat hen gevonnist worden,
a. Zoals zij verdienen, vers 64 :Geef hun weer die vergelding naar het werk hunner handen. Doe aan hen, zoals zij aan ons gedaan hebben, laat Uw hand tegen hen zijn, zoals hun hand tegen ons geweest is. Zij hebben ons heel wat kwelling veroorzaakt. Geef hun nu zielesmart, vers 65, verwarring des harten, ( zoals sommigen lezen), laat hen omringd zijn, aan alle zijden, door dreigend kwaad, zonder dat zij een uitweg kunnen ontdekken. Geef hun "neerslachtigheid des harten" (zo lezen anderen), laat hen tot wanhoop gedreven worden en zichzelf als verloren beschouwen. God kan het helderst denkende hoofd in verwarring brengen, en het moedigste hart verschrikken.
b. Doe aan hen naar hun bedreigingen: Uw vloek zij over hen, dat is, laat Uw vloek over hen komen, alle euvelen die in Uw woord tegen de vijanden van Uw volk gedreigd worden, vers 65. Zij hebben ons met hun vervloekingen beladen, daar zij het vervloeken liefhadden, zo laat ze dan over hen komen, want Uw vloek zal hen waarlijk ellendig maken. De hunne was zonder oorzaak, en daarom zonder gevolg, hij zal niet komen, maar de Uw is rechtvaardig, en zal hen treffen. Die Gij vloekt zullen vervloekt zijn. Laat de vloek aan hen voltrokken worden, vers 66 :Vervolg hen met toorn, zoals zij ons met toorn vervolgen. Verdelg ze van onder de hemel des Heeren, laat hen geen voordeel hebben van het licht en de gunsten des hemels. Verdelg ze op zulk een wijze, dat allen, die het zien, zeggen mogen: Het is een verdelging van de Almachtige, "die in de heme woont en lacht", Psalm 2:4, en erkennen mogen, "dat de Hemel heerst", Daniël 4:26. Wat gezegd werd van de afgoden, wordt hier gezegd van hun aanbidders (die ook hierin aan hen gelijk zullen zijn), "Zij zullen vergaan van onder deze hemel", Jeremia 10:11. Zij zullen niet alleen uitgesloten zijn van de zaligheid van de onzichtbare hemel, maar ook afgesneden van de zegeningen van deze zichtbare, die "de hemel is des heren," Psalm 115:16, om welke reden zij onwaardig zijn er door beschermd te worden, die tegen Hem weerspannig zijn.