Johannes 16:1-6
Christus heeft getrouwelijk met Zijne discipelen gehandeld, toen Hij hen uitzond op Zijne boodschap, want Hij heeft er hun het ergste bij meegedeeld, dat hun kon overkomen, opdat zij konden neerzitten en de kosten overrekenen. In het vorige hoofdstuk had Hij hun gezegd, dat zij den haat der wereld hadden te wachten, in deze verzen:
I. Geeft Hij hun ene reden op, waarom Hij hen aldus ontroert met die verwachting van moeilijkheid en leed: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt, vers 1.
1. De discipelen van Christus zijn geneigd zich te ergeren aan het kruis, en die ergernis aan het kruis is een gevaarlijke verzoeking, zelfs voor Godvruchtigen, om van de wegen Gods af te wijken, ze te verlaten, of wel er zuchtend en bezwaarlijk op voort te gaan, om of hun oprechtigheid, of tenminste hun blijmoedigheid te verliezen. Het is niet tevergeefs dat een tijd van lijden een ure der verzoeking wordt genoemd.
2. Met ons er van te verwittigen dat ons lijden wacht, bedoelde onze Heere Jezus er de verschrikking van weg te nemen, opdat wij er niet door overvallen zouden worden. Onder al de vijanden van onzen vrede in deze wereld van beroering is er geen, die ons heftiger aanvalt of meer verwarring sticht onder onze verdedigers, dan teleurstelling, maar een gast, dien wij verwachten, kunnen wij gemakkelijk verwelkomen, en tevoren gewaarschuwd zijnde, kunnen wij ons tevoren wapenen.
II. Hij voorzegt inzonderheid wat zij zullen te lijden hebben, vers 2. Zij, die daartoe de macht hebben, zullen u uit de synagogen werpen, en dat is het ergste nog niet: zij zullen "u doden". -Ziedaar dus het zwaard tegen de volgelingen van den Heere Jezus getrokken.
1. Het zwaard der kerkelijke censuur, dit wordt tegen hen getrokken door de Joden, want dezen alleen maakten aanspraak op kerkelijke macht en gezag. Zij zullen u uit hun synagogen werpen, dat is: hen in den ban doen. "Zij zullen u uitwerpen uit die bijzondere synagogen, waarvan gij leden waart". In het eerst hebben zij hen in hun synagogen gegeseld als minachters der wet, Mattheus 10:17, en eindelijk hen als onverbeterlijk uitgeworpen.
b. "Zij zullen u uitwerpen uit de vergadering Israël's in het algemeen, uit de nationale kerk der Joden, zullen u afsnijden van de voorrechten er van, zullen u in een toestand plaatsen van buiten de wet te zijn, of van vogelvrij-verklaarden, zij zullen u beschouwen als Samaritanen, als heidenen of openbare zondaren. Aldus werd hun het gebruik van water en vuur ontzegd. En ware het niet om straffen en boeten van allerlei aard, die dit meebracht, dan zou het geen schade of nadeel geweest zijn, om aldus uitgedreven te worden uit een bouwvallig huis, dat op het punt stond van in te storten. Het is dikwijls het lot van Christus' discipelen geweest, om onrechtvaardig in den ban gedaan te worden. Menige goede waarheid is gebrandmerkt geworden met een anathema, en menig kind van God den Satan overgeleverd.
2. Het zwaard der burgerlijke macht. "De tijd komt, de ure komt. Nu zullen de zaken erger voor u gaan staan dan ooit tevoren, als gij uitgeworpen zult worden als ketters, zij zullen u doden, menende Gode een dienst te doen, en anderen zullen dit ook menen. a. Gij zult hen in waarheid wreed bevinden: zij zullen u doden. Christus' schapen werden als schapen ter slachtbank geacht, de twaalf apostelen zijn allen (naar ons wordt meegedeeld) ter dood gebracht, behalve Johannes. Christus had gezegd, Hoofdstuk 15:27:"Gij zult getuigen, martureite -gij zult martelaars zijn, gij zult de waarheid bezegelen met uw bloed, uw hartenbloed.
b. Gij zult hen schijnbaar nauwgezet van geweten zien, zij zullen menen Gode een dienst te bewijzen, zij zullen schijnen latreian prospherein - Gode een goede offerande te brengen, zoals zij, die vanouds Gods dienstknechten hebben uitgeworpen, en zeiden: dat de Heere heerlijk worde, Jesaja 66:5. Het is mogelijk dat zij, die wezenlijk vijanden zijn van den dienst Gods, er een groten ijver voor voorwenden. Menigmaal is het werk des duivels in Gods livrei verricht, en een der boosaardigste vijanden, die het Christendom ooit gehad heeft, zit in den tempel Gods. Ja meer: het is iets gans gewoons om vijandschap tegen den Godsdienst te bedekken met een schijn van plicht of gehoorzaamheid jegens God en dienst te bewijzen aan Zijne kerk. Gods volk heeft het meest te lijden gehad van nauwgezette vervolgers. Paulus heeft waarlijk gedacht, dat hij moest doen wat hij tegen den naam van Jezus gedaan heeft. Dat vermindert geenszins de zonde der vervolgers, want een snood bedrijf kan nooit geheiligd worden door er Gods naam voor te gebruiken, maar wel verzwaart het het lijden der vervolgden, dat zij sterven, terwijl hun de blaam wordt aangewreven, dat zij vijanden Gods zijn, maar er zal op den groten dag ene opstanding zijn van hun goeden naam, zowel als van hun lichaam.
III. Hij noemt hun de ware reden van de vijandschap en de woede der wereld tegen hen, vers 3:Deze dingen zullen zij u doen, niet omdat gij hun enigerlei kwaad gedaan hebt, maar omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch Mij. Laat dit u vertroosten, dat gene anderen dan de slechtsten der mensen uwe vijanden zullen zijn. Velen maken er aanspraak op, dat zij God kennen, terwijl zij in de ellendigste onwetendheid omtrent Hem verkeren. Zij, die voorgaven Hem dienst te doen, dachten dat zij Hem kenden, maar het waren verkeerde denkbeelden, die zij van Hem hadden. Israël had het verbond overtreden, maar toch riepen zij: Mijn God, wij kennen U, Hosea 8:1, 2. Zij, die Christus niet kennen, kunnen ook geen rechte kennis van God hebben. Het is tevergeefs, dat de mensen voorgeven God en Godsdienst te kennen, terwijl zij Christus en het Christendom minachten. Diegenen zijn wel zeer onbekend met God en Christus, die wanen, dat het Hem een welbehaaglijke dienst is, Godvruchtige mensen te vervolgen. Zij, die Christus kennen, weten dat Hij niet in de wereld is gekomen, om der mensen zielen te verderven, maar ze te behouden, dat Hij hen regeert door de kracht der waarheid en der liefde, niet door vuur en zwaard. Nooit is er zulk een vervolgzieke kerk geweest als die welke onwetendheid maakt tot de moeder van vroomheid.
IV. Hij zegt hun, waarom Hij hun nu hiervan kennis geeft, en waarom Hij dit niet eerder gedaan heeft.
1. Waarom Hij hun dit nu zei, vers 4, niet om hen te ontmoedigen, of om hun tegenwoordige droefheid nog te vermeerderen, en ook spreekt Hij hun niet van hun gevaar, opdat zij middelen zouden beramen om er aan te ontkomen, maar opdat wanneer de ure zal gekomen zijn (en gij kunt er zeker van zijn dàt zij zal komen), gij dezelve moogt gedenken, dat Ik ze u gezegd heb. Als tijden van lijden komen, dan zal het nuttig voor ons wezen om te gedenken, wat Christus ons van lijden gezegd heeft.
a. Opdat ons geloof aan Christus' voorzien en aan Zijne getrouwheid bevestigd zal worden, en b. Opdat de benauwdheid minder zwaar zal zijn, want zij is van tevoren gezegd, en wij hebben in de verwachting hiervan ons geloof beleden, zodat het dan gene verrassing, niet iets onverwachts of ongedachts voor ons zijn zal. Gelijk Christus in Zijn lijden, zo moeten Zijne volgelingen in het hun, het oog hebben op de vervulling der Schrift.
2. Waarom Hij hun dit niet eerder gezegd heeft. Deze dingen heb Ik u van het begin niet gezegd - toen gij en Ik met elkaar kennis hebben gemaakt, omdat Ik bij ulieden was.
a. Terwijl Hij bij hen was, doorstond Hij den schok van de boosaardigheid der wereld, stond Hij vooraan in den strijd, tegen Hem richtten de machten der duisternis al hun kracht, niet tegen klein of groot, maar alleen tegen den Koning Israël's, en daarom behoefde Hij hun toen niet zoveel over lijden te zeggen, omdat dit lijden toen hun niet zozeer ten deel viel. Maar wij bevinden toch, dat Hij hun van den beginne gezegd heeft, dat zij zich op lijden moesten voorbereiden, en daarom:
b. Schijnt dit eerder bedoeld te zijn van de belofte van een anderen Trooster. Daarvan had Hij hun in den beginne weinig gezegd, omdat Hij zelf bij hen was, om hen te onderwijzen, te besturen en te vertroosten, en toen hadden zij de belofte niet nodig van de buitengewone tegenwoordigheid des Geestes. Voordat de Bruidegom van hen weggenomen is, zullen de bruiloftskinderen geen zo grote behoefte aan een trooster hebben.
V. Hij geeft uitdrukking aan een zeer liefdevolle deelneming in de tegenwoordige droefheid Zijner discipelen. "Nu Ik niet langer bij u zal zijn", zegt Hij, maar heenga tot degene, die Mij gezonden heeft, om daar uit te rusten na al deze vermoeienissen, heeft niemand uwer den moed om Mij te vragen: Waar gaat Gij heen? In plaats van te vragen naar hetgeen u zou kunnen vertroosten, blijft gij maar steeds turen op hetgeen er somber en droevig uitziet, en zo heeft de droefheid uw hart vervuld.
1. Hij had hun gezegd, dat Hij op het punt stond van hen te verlaten: Nu ga Ik heen. Hij werd niet door geweld weggedreven, Hij is vrijwillig heengegaan, Zijn leven is Hem niet ontrukt, het werd door Hem afgelegd. Hij ging heen tot degene, die Hem gezonden heeft, om verslag te doen van Zijne onderhandeling. Evenzo gaan wij, als wij deze wereld verlaten, tot Hem, die er ons in gezonden heeft, hetgeen ons verlangend moet maken om een nuttig leven te leiden, gedenkende dat wij ene opdracht hebben te vervullen, waarvan wij rekenschap zullen moeten geven.
2. Hij had hun gezegd welke harde dingen zij zullen te lijden hebben na Zijn heengaan, en dat zij niet zulk een gemakkelijk, rustig leven moeten verwachten, als zij totnutoe geleid hebben. Indien dit nu alles was wat Hij hun had na te laten, die alles hadden verlaten om Hem te volgen, dan zouden zij in verzoeking kunnen zijn van te denken, dat zij toch wel een onvoordeligen koop hadden gesloten, waarover zij nu in ontsteltenis verkeer- den, waarin hun Meester wel medegevoel met hen heeft, maar hen toch laakt.
a. Omdat zij de middelen ter vertroosting veronachtzaamden, zich niet opwekten om daarnaar uit te zien: Niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Petrus had die vraag opgeworpen, Hoofdstuk 13:36, en Thomas had haar ondersteund, Hoofdstuk 14:5, maar zij hebben er niet verder op aangedrongen, zij wachtten niet op het antwoord, zij waren er in het duister over, en hebben niet verder gevraagd, of getracht een antwoord te bekomen. Zij zijn niet voortgegaan met zoeken, niet voortgegaan met kloppen. Zie nu welk een medelijdende Leraar Christus is, hoe neerbuigend voor de zwakken en onwetenden. Menig onderwijzer duldt het niet, dat hem twee maal dezelfde vraag gedaan wordt, indien de leerling de zaak niet terstond kan vatten, dan moet hij er maar onwetend omtrent blijven, maar onze Heere Jezus weet met kinderkens om te gaan, die met regel op regel moeten onderwezen worden. Indien de discipelen hun onderzoek hieromtrent hadden voortgezet, zij zouden bevonden hebben, dat Zijn heengaan Zijne verhoging was, en dat Zijn verlaten van hen dus niet zo uitermate hen moest ontroeren (immers, waarom zouden zij tegen Zijne verhoging zijn?) en dat het hun ten voordeel was, en dat dus ook hun lijden voor Hem hen niet uitermate moest ontroeren, want een gezicht op Jezus aan de rechterhand Gods zou hun een krachtige steun zijn, zoals het dit ook voor Stefanus geweest is. Een nederig, gelovig onderzoek omtrent de duisterste beschikkingen van Gods voorzienigheid zou ons helpen om ons er mede te verzoenen, er minder om te treuren, ze minder te vrezen. Het zal ons doen zwijgen, als wij vragen: Van waar komen zij? maar het zal ons volkomen bevredigen te vragen: waar gaan zij heen, want wij weten, dat zij ons medewerken ten goede, Romeinen 8:28.
b. Dat zij te veel vervuld waren met de aanleiding tot hun droefheid, de droefheid heeft uw hart vervuld. Christus had genoeg gezegd om hen te vervullen met blijdschap, Hoofdstuk 15:11, maar door alleen te zien op hetgeen tegen hen was, en voorbij te zien hetgeen voor hen was, waren zij zo vervuld van droefheid, dat er gene plaats meer was voor blijdschap. Het is de gewone fout en dwaasheid van zwaarmoedige Christenen, om alleen op de donkere zijde der wolk te staren, aan niets te denken dan aan verschrikking, en doof te zijn voor "de stem der vreugde en der vrolijkheid". Wat het hart der discipelen met droefheid vervulde, en de werking tegenhield van de hartsterking, die Christus hun toediende, was een al te grote genegenheid voor dit tegenwoordig leven. Zij waren vol van hoop omtrent huns Meesters uitwendig koninkrijk en heerlijkheid, en dat zij met Hem zouden schitteren en heersen, en nu horen zij, in plaats hiervan, van niets anders dan van banden en beproevingen. Dat vervulde hen met droefheid. Niets is nadeliger voor onze blijdschap in God, dan de liefde tot de wereld, en de droefheid der wereld, die er het gevolg van is.