Jakobus 1:2-12
Wij komen nu tot de behandeling van het onderwerp van den brief. In deze afdeling hebben wij de volgende dingen te beschouwen.
I. De lijdenstoestand van de Christenen in deze wereld wordt voorgesteld, en dat op zeer leerzame wijze, wanneer wij letten op hetgeen duidelijk en noodzakelijk ondersteld wordt, zo goed als op hetgeen volledig wordt uitgedrukt.
1. Ondersteld wordt dat moeiten en droefenissen het lot kunnen zijn van de beste Christenen, ook van hen, die de meeste reden hebben om van zich zelven het goede te denken en te hopen. Zulke hebben recht tot de grootste vreugde en moeten dikwijls juist de grievendste droefenissen ondervinden. Gelijk goede mensen verstrooid kunnen worden, zo moeten zij het niet voor iets vreemds houden wanneer moeilijkheden hen overkomen.
2. Deze uitwendige droefenissen en moeilijkheden zijn voor hen verzoekingen. De duivel beproeft door lijden en kruis de mensen tot zonden af te trekken en hen van hun plicht terug te houden of er ongeschikt voor te maken. Maar aangezien al onze beproevingen in Gods hand zijn, zo worden zij bedoeld voor beproeving en verbetering van onze deugden. Het goud wordt in den smeltkroes geworpen, om gereinigd te worden.
3. Deze verzoekingen kunnen vele en velerlei zijn. De apostel spreekt van vele verzoekingen. Onze beproevingen kunnen vele en van verschillende soorten zijn, en daarom hebben wij behoefte aan de gehele wapenrusting Gods. Wij moeten aan alle zijden gewapend zijn, want onze verzoekingen liggen aan alle zijden.
4. De verzoekingen van den gelovige zijn dezulken, die hij zich zelven niet schept en niet zondig over zich zelven brengt, maar zulke waarin gezegd wordt dat hij valt. En daarom kunnen ze ook beter door hem gedragen worden.
II. De deugden en plichten onder een toestand van verzoekingen en droefenissen worden ons hier voorgehouden. Indien wij op deze dingen achtgaven en er naar handelden, zoals wij behoren te doen, hoe goed zou het ons zijn bedroefd te worden!
1. Een Christelijke deugd, die er door geoefend wordt, is vreugde. Acht het voor grote vreugde, vers 2. Wij moeten niet verzinken in een staat van moedeloosheid en troosteloosheid, die zou maken dat wij onder de beproevingen bezweken, maar wij moeten trachten onze zielen opgewekt en verlicht te houden, des te beter zullen wij het rechte besef van het geval hebben, en des te groter voordeel zullen wij er van genieten. De wijsbegeerte kan de mensen leren kalm te blijven onder hun moeilijkheden, maar het Christendom leert hen er vreugde onder te hebben, omdat zulke dingen komen uit Gods liefde en niet uit Zijn toorn. Door hen zijn wij gelijkvormig aan Christus, ons hoofd, en krijgen wij de bewijzen van onze aanneming. Door het lijden in de wegen der gerechtigheid dienen wij de belangen van het koninkrijk onzes Heeren op aarde en de opbouwing van het lichaam van Christus: en onze beproevingen zullen onze genade meer doen schitteren en ten laatste ons kronen. Daarom is er alle reden om het voor grote vreugde te achten, wanneer beproevingen en moeiten ons in den weg van onzen plicht ten dele worden. En dit is niet alleen een Nieuw Testamentische paradox, maar het was reeds in Jobs tijd bekend. Zie, zalig is de man, dien God kastijdt. En nog meer reden van vreugde is er in onze beproevingen, wanneer wij de anderen deugden nagaan, die er door bevorderd worden. Het geloof is een der genaden, welke de ene uitdrukking onderstelt en de andere beslist vereist. Wetende dat de beproeving uws geloofs, vers 3, en :Dat hij ze begere in geloof, vers 6. Er moet zijn een gezond geloof in de grote waarheden van het Christendom en een beslist vasthouden daaraan, in tijden van verzoeking. Het geloof, waarvan hier gesproken wordt als beproefd wordende door de droefenissen, bestaat in een geloof in de macht, het woord en de belofte van God, en in de getrouwheid en standvastigheid van onzen Heere Jezus. 3.. Er moet zijn lijdzaamheid. De beproeving uws geloofs werkt lijdzaamheid. De beproeving van de ene genade brengt de andere voort, en hoe meer de deugden des Christens door lijden geoefend worden, des te sterker groeien zij. De verdrukking werkt lijdzaamheid, Romeinen 5: 3. Ten einde de Christelijke lijdzaamheid recht te oefenen, moeten wij:
A. Haar laten werken. Zij is geen lijdelijk, maar een werkzaam iets. Stoïcijnse onverschilligheid en Christelijke lijdzaamheid zijn zeer verschillend, door de eerste worden de mensen tot op zekere hoogte ongevoelig voor hun droefenissen, door de laatste behalen zij er de overwinning op. Laat ons zorgen dat in tijden van verzoeking de lijdzaamheid en niet de hartstocht in ons werkt. Wat we ook zeggen of doen, laat de lijdzaamheid het zeggen en doen, laat ons niet toelaten dat de hartstochten er tussen komen en het edele werk van de lijdzaamheid verstoren, laat ons het plaats geven om te werken, en het zal in tijden van beproeving wonderen verrichten.
B. Wij moeten de lijdzaamheid een volmaakt werk laten hebben. Ze mag niet beperkt of verzwakt worden. Zij moet haar volle vrijheid hebben, indien de ene droefenis de andere op de hielen volgt en een gehele reeks ons overvalt, toch moet de lijdzaamheid haar gang kunnen gaan tot haar werk volmaakt is. Wanneer wij alles dragen wat God beschikt en zolang als Hij het beschikt en met een nederig gehoorzaam oog op Hem, en we niet enkel onze moeiten dragen maar er ons in verheugen, dan heeft de lijdzaamheid een volmaakt werk.
C. Wanneer het werk der lijdzaamheid volmaakt is, dan is de Christen volmaakt en ontbreekt hem niets, het zal ons voorzien van alles wat nodig is voor onze Christelijke loopbaan en strijd en ons in staat stellen om tot den einde te volharden, en dan zal haar werk voleind zijn en met heerlijkheid bekroond worden, Heb. 10:36. De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen dinggebrekkelijk.
D. Het gebed is een plicht, die evenzeer den lijdenden Christenen aanbevolen wordt, en hierbij toont de apostel aan:
a. Waar wij meer bepaald om moeten bidden. Om wijsheid: Indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, vers 5. Wij moeten niet zozeer om afwending van een droefenis bidden als om wijsheid ten einde er het rechte nut van te trekken. En wie is er, die geen wijsheid nodig heeft onder grote beproevingen of oefeningen, om hem te leiden bij het beoordelen der dingen, bij het beheersen van zijn karakter en aandoeningen en bij het besturen van zijn zaken? Wijs zijn in tijden van beproeving is een bijzondere gave Gods, en wij moeten dat bij Hem zoeken.
b. In welken weg zij verkregen wordt, -op onze smeking en ons gebed. De dwazen moeten bedelaars worden voor den troon der genade, dat is de weg voor hen om wijzen te worden. Er wordt niet gezegd: vraag het een mens, of enigen mens, maar dat hij ze van God begere, die hem gemaakt heeft, die hem eerst verstand en zielsvermogens gegeven heeft, van Hem in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Laat ons dagelijks aan God ons gebrek aan wijsheid belijden en er Hem dagelijks om vragen. 4.. Wij hebben de grootste aanmoediging om dat te doen. Die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt. Ja, het is uitdrukkelijk beloofd.
En zij zal hem gegeven worden, vers 5. Hier is een antwoord voor elke ontmoediging van de ziel, wanneer wij tot God gaan, in het gevoel van onze eigen zwakheid en dwaasheid, ten einde om wijsheid te vragen. Wij zijn er zeker van dat Hij, tot wie wij gezonden worden, geven kan, en Hij verlangt te geven, Hij wil geven aan allen die Hem vragen. Er kan ook geen vrees bestaan dat Zijne gunsten beperkt zijn tot enkelen, die in dat geval verkeren, zodat anderen buitengesloten zijn, -geen enkele nederige smekende ziel wordt afgewezen, Hij geeft een iegelijk. En zegt ge dat ge veel wijsheid behoeft en dat een kleine gave u niet helpen kan, de apostel bevestigt: Hij geeft mildelijk. En zijt ge misschien bevreesd dat ge op ongelegen tijd komt, of schaamt ge u over uwe dwaasheid, er is bij gevoegd: Hij verwijt niet. Vraag wanneer ge wilt en zo dikwijls ge wilt, gij zult geen verwijten krijgen. En wanneer ge na dat alles nog zoudt zeggen: Dat mag het geval zijn met sommigen, maar ik vrees dat ik niet zo goed slagen zal in mijn zoeken naar wijsheid als anderen doen, bedenk dan hoe uitdrukkelijk en voor ieder de belofte is: en zij zal hem gegeven worden. Maar rechtvaardig zouden dwazen in hun dwaasheid omkomen, indien zij de wijsheid slechts voor `t vragen hebben, en zij willen er God niet om bidden. Want: 5.. Op een ding moeten wij bij ons vragen noodzakelijk letten: en dat is: dat wij het met geloof moeten doen, met een standvastigen geest. Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende, vers 6. De gedane belofte is zeer vast, maar op deze voorwaarde aan onze zijde: wijsheid zal gegeven worden aan een iegelijk, die er God om vraagt, mits hij gelooft dat God machtig is den dwaas wijs te maken, en getrouw is Zijn woord te vervullen aan allen, die er Hem om aanroepen. Dit was de voorwaarde, waar Christus op stond in Zijn behandeling van degenen, die tot Hem kwamen om genezing: Gelooft gij dat ik dat doen kan? Er moet geen twijfel zijn, geen wantrouwen door ongeloof aan Gods beloften, ook niet door het gevoel van onwaardigheid aan onze zijde. Hier zien wij: 6.. Oprechtheid van bedoeling en vastheid van geest zijn een andere noodzakelijke deugd onder droefenis. Die twijfelt is ene baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neer geworpen wordt, vers 6. Wie nu eens opgeheven is door het geloof, dan weer neergeworpen door wantrouwen, den enen dag opgenomen in den hemel met de bedoeling om eer en heerlijkheid en onverderflijkheid te zoeken, den anderen dag terugzinkt op aarde in de vleselijke gemakken en de begeerlijkheden der wereld, die kan zeer juist en treffend vergeleken worden bij een baar der zee, die rijst en valt, zwelt en slinkt, juist naarmate de wind haar behandelt. Alleen de ziel, die in de eerste plaats, ja in de enige plaats, bij alles haar geestelijk belang op het oog heeft en zich voortdurend naar Gods wil tracht te schikken, zal wijs worden door droefenissen, zal vurig voortgaan in haar smekingen, en over alle verzoeking en tegenstand de overwinning behalen. Om nu de zielen te genezen van twijfelingen des geestes en zwakgelovigheid, toont de apostel de slechte gevolgen daarvan aan.
A. Het verhoren van het gebed wordt er door verbeurd. Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere, vers 7. Zulk een wantrouwend, wankelmoedig, onbeslist man zal denkelijk de gunst van God ook niet zo hoog waarderen als hem betaamde, en daarom kan hij niet verwachten iets te zullen ontvangen. Wij zullen nooit met den meesten ernst om goddelijke, hemelse wijsheid vragen, wanneer wij geen hart hebben, dat haar prijst boven robijnen en de grootste schatten der wereld. B. Een twijfelend geloof en gemoed heeft een slechten invloed op onzen wandel. Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen, vers 8. Wanneer ons geloof en onze moed rijzen en dalen door bijoorzaken, zal er grote ongestadigheid in al onzen wandel en in onze daden zijn. Dat kan soms de mensen blootstellen aan de verachting der wereld, maar het is zeker dat zulke wegen Gode niet behagen en ons ten slotte niets goeds opleveren. Er is slechts een God om op te vertrouwen en dus slechts een God, die ons regeert, en daarom moeten wij gelijkmoedig en standvastig blijven. Hij, die onstandvastig is als water, zal in niets uitmunten.
III. Thans wordt het heilig, nederig gedrag van den Christen, beide in voorspoed en tegenspoed, beschreven, en zowel rijken als armen wordt onderricht gegeven op welke gronden zij hun troost en vreugde mogen bouwen, vers 9-11. Hier merken wij op:
1. De laaggeplaatsten moeten als broeders beschouwd worden. Maar de broeder, die nederig (neer) is, enz. Armoede behoort de betrekking tussen Christenen niet te verbreken. 2 Goede Christenen kunnen rijk zijn naar de wereld, vers 10. Genade en weelde zijn niet geheel en al met elkaar onbestaanbaar. Abraham, de vader der gelovigen, was rijk in zilver en goud. 3.. Beiden, armen en rijken, mogen zich verheugen. Geen toestand in het leven stelt ons buiten de mogelijkheid om ons in God te verblijden. Indien wij ons niet altijd in Hem verblijden, is het onze eigen schuld. De lagergeplaatsten mogen zich er over verheugen dat zij rijk zijn in geloof en erfgenamen van het hemels koninkrijk, en de rijken mogen zich verblijden in een nederige stemming, wanneer God hen daarmee begenadigt, welke aangenaam is in Gods ogen. Indien zij arm gemaakt worden voor de zaak der rechtvaardigheid, dan is hun armoede hun verhoging. Het is een eer om ter wille van Christus oneer te lijden: U is het gegeven te lijden. Filippenzen 1:29. Allen, die in de laagte gebracht zijn en door genade nederig gemaakt werden, mogen zich verheugen in het vooruitzicht van hun verhoging in de hemelen. 4.. Merk op welke reden de rijken hebben om, niettegenstaande hun rijkdom men, nederig en laag in eigen ogen te zijn: zij en hun rijkdommen gaan beiden voorbij: hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. Hij en zijn overvloed met hem, vers 11. Want de zon is opgegaan met de hitte en heeft het gras dor gemaakt. Wereldse rijkdom is een vluchtig ding. Rijkdommen zijn te onzeker, te weinig beschouwenswaard, om enige grote en gerechtvaardigde verandering in onze gezindheid teweeg te brengen. Zoals de bloem verwelkt door de hitte van de brandende zon, zo zal de rijke in zijne wegen verwelken. Zijn ontwerpen, raadslagen en bestieringen voor deze wereld worden zijne wegen genoemd, en daarin zal hij verwelken. Laat hij die rijk is zich om die reden verheugen niet zozeer in de voorzienigheid Gods, die hem rijk gemaakt heeft, maar in de genade Gods, die hem nederig maakt en houdt, en in de beproevingen en oefeningen die hem leren zijn geluk in God te zoeken en niet in deze vergankelijke genoegens.
IV. Een zegening wordt uitgesproken over den man, die de beproevingen en geloofsoefeningen verdraagt op de hier voorgeschreven wijze. Zalig is de man, die de verzoeking verdraagt, vers 12.
1. Niet de man, die alleen lijdt, is zalig, maar hij die verdraagt, die met lijdzaamheid en standvastigheid alle moeilijkheden in den weg van zijn plicht doorgaat.
2. Droefenissen kunnen ons niet ellendig maken, behalve door onze eigen schuld. Een zegen kan er uit voortkomen en wij kunnen er door gezegend worden. Zij zijn er zo ver vandaan de mens zijn geluk te ontnemen, dat zij het eigenlijk vermeerderen. 3. Lijden en verzoekingen zijn de weg naar de eeuwige zaligheid. Want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, dokimos genomenos, wanneer hij beproefd en goedgekeurd is, wanneer zijne deugden waar en van de hoogste waarde bevonden zijn, - zoals metalen beproefd worden door het vuur, -en wanneer zijn oprechtheid beproefd is, en alles goedgekeurd is door den groten Rechter. Door God goedgekeurd te worden is het grote doelwit van den Christen in al zijne verzoekingen, en het zal zijne zaligheid zijn in het einde, wanneer hij de kroon des levens zal ontvangen. De beproefde Christen zal een gekroonde Christen zijn, en de kroon, die hij dragen zal, zal de kroon des levens zijn. Zij zal leven en zegen voor hem zijn, en eeuwig duren. Wij dragen het kruis slechts voor een tijd, maar de kroon zullen wij eeuwig dragen.
4. Deze zegen, de kroon des levens, is aan den rechtvaardigen lijder beloofd. Daarom mogen wij er met de meeste zekerheld op rekenen, want wanneer hemel en aarde zullen voorbijgaan, zal dit woord van God onfeilbaar vervuld worden. Maar laat ons daarbij goed bedenken, dat die toekomstige beloning ons geschonken wordt niet als een schuld, maar als een genadige belofte.
5. Ons verdragen van de verzoekingen moet voortkomen uit het beginsel van liefde tot God en tot onzen Heere Jezus Christus, anders hebben wij geen deel aan die belofte: Welke de Heere beloofd heeft degenen, die Hem liefhebben. Paulus zegt dat iemand in sommige gevallen uit godsdienstigheid zijn lichaam kan overgeven om verbrand te worden en toch niet Gode behagelijk zijn of door Hem aangenomen worden, omdat hem de liefde ontbreekt, de doorwerkende oprechte liefde voor God en de mensen, 1 Corinthiërs 13:3.
6. De kroon des levens is beloofd niet alleen aan de grote en uitnemende heiligen, maar aan allen in wier harten de liefde regeert. Elke ziel, die waarachtig God liefheeft, zal al haar beproevingen in deze wereld ten volle beloond zien in die betere wereld, waar de liefde volmaakt zal zijn.