Galaten 5:1-12
In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk waarschuwt de apostel de Galaten om op hun hoede te zijn tegen de Judese leraren, die trachtten hen onder het juk der wet te brengen. Hij had reeds tegen hen gewaarschuwd en in het brede aangetoond hoe verschillend hun geest en beginselen waren van die des Evangelies, en nu is dit als het ware de algemene toepassing van het betoog. Uit het gezegde was gebleken, dat wij alleen door het geloof in Jezus Christus kunnen gerechtvaardigd worden, en niet door de werken der wet, en dat de wet van Mozes niet langer van kracht was, zodat op de Christenen in `t geheel gene verplichting rustte om zich aan haar te onderwerpen. Daarom wil hij thans van hen, dat zij zullen staan in de vrijheid, met welke Christus ons vrijgemaakt heeft, en niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen worden. Merk hier op:
1. Onder het Evangelie zijn wij vrijgemaakt, wij zijn overgebracht in een staat van vrijheid, wij zijn bevrijd van het juk der ceremoniële wet en van den vloek der zedelijke wet, zodat wij niet langer gebonden zijn door de verplichting om de ene na te leven, of door den schrik van de andere, wier vloek iedereen treft, die niet blijft in al wat in haar geschreven is, om dat te doen, Hoofdstuk 3:10. Wij danken deze vrijheid aan Jezus Christus. Hij is het, die ons heeft vrijgemaakt, door Zijne verdiensten heeft Hij de aanspraken van de verbroken wet voldaan, en door Zijn koninklijke macht heeft Hij ons ontslagen van de verplichting tot onderhouding van deze vleselijke geboden, die den Joden opgelegd waren. En:
2. Daarom is het onze roeping te staan in de vrijheid, standvastig en getrouw vast te houden aan het Evangelie en zijne vrijheid, en onder gene voorwaarde te dulden. dat men ons weer met het juk der dienstbaarheid bevangt en dwingt om terug te keren tot de wet van Mozes. Dat is de algemene waarschuwing of opwekking, welke de apostel in de volgende verzen aandringt met verschillende redenen, en wel:
I. Hun onderwerping aan de besnijdenis en hun steunen op de werken der wet voor hun rechtvaardigmaking waren een bedekte tegenspraak van hun geloof in Christus en een verzaking van al hun voorrechten in Jezus Christus, vers 2-4. Hierbij kunnen we opmerken:
1. Met hoeveel plechtigheid Paulus dit verklaart en bevestigt: Ziet, ik Paulus, zeg u, vers 2, en hij herhaalt het in vers 3. Ik betuig wederom, alsof hij zeggen wilde: Ik, die betoond heb een apostel van Christus te zijn en die mijn gezag en mijn voorschriften van Hem ontvangen heb, verklaar u en ben bereid al mijn naam en het in mij gestelde vertrouwen daarvoor te verpanden, dat indien gij u laat besnijden, Christus u niet nut zal zijn. Daarmee toont hij aan, dat hetgeen hij nu gaat zeggen niet alleen een zaak van groot belang is, maar dat men er ook ten volle van verzekerd kon zijn. Hij was er zo ver af een prediker der besnijdenis te zijn (als sommigen wellicht van hem verhaalden) dat hij het als een zaak van het uiterste gewicht beschouwde, dat zij er zich niet aan onderwerpen zouden
2. Wat het is dat hij met zoveel plechtigheid en zekerheid verklaart. Als gij u laat besnijden, zal Christus u niet nut zijn. Wij mogen niet veronderstellen, dat het alleen de uitwendige besnijdenis is, waarvan Paulus hier spreekt, of dat hij bedoelt dat niemand die besneden is, enig nut van Christus kan hebben, want al de Oud-Testamentische heiligen waren besneden en hij zelf had toegestemd in de besnijdenis van Timotheus. Maar hij spreekt van de besnijdenis in den zin, waarin de Judese leraren haar wilden opleggen, welke leerden: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden, Handelingen 15:1. Dat hij dit bedoelt, blijkt uit vers 4, waar hij hetzelfde zegt van hun gerechtvaardigd worden door de wet, of zoeken rechtvaardig gemaakt te worden door hare werken. Nu, in deze omstandigheden, indien zij zich met zulke bedoeling aan de besnijdenis onderwierpen, verklaart hij dat Christus hun geen nut doet, dat zij schuldenaars zijn de gehele wet te doen, dat Christus hun ijdel geworden is, en dat zij vervallen zijn van de genade. Uit al deze uitdrukkingen blijkt, dat zij daardoor afstand deden van den weg ter rechtvaardigmaking, dien God geopend had, ja, dat zij zich zelven in de onmogelijkheid brachten om in Zijn oog rechtvaardig te worden, want zij werden schuldenaars om de gehele wet te houden, en die vereiste een gehoorzaamheid zo volkomen als zij nooit geven konden, en verkondigde den vloek aan ieder, die daarin tekort kwam. De wet veroordeelde dus maar kon hen niet rechtvaardigen, en bijgevolg, wanneer zij in die wijze tegen Christus opgestaan waren en hun hoop op de wet gebouwd hadden, zou Christus hun van geen nut zijn en evenmin iets voor hen betekenen. Door zich te laten besnijden verloochenden zij het Christendom, zij sneden zich zelven af van alle voorrechten in Christus, en er bestond dus de grootste reden voor hen om standvastig te blijven bij de leer, die zij omhelsd hadden, en zich niet onder het juk der dienstbaarheid te doen brengen.
A. Ofschoon Jezus Christus instaat is ook den diepst gezonkene te redden, zijn er nochtans menigten, dien hij geen nut doet.
B. Allen, die zoeken gerechtvaardigd te worden door de werken der wet, maken daardoor Christus nutteloos voor zich. Door hun hoop op de werken der wet te stellen, verzaken zij al hun hoop op Hem, want Hij wil niet de Zaligmaker zijn van iemand, die niet op Hem als op zijn enigen Zaligmaker vertrouwt.
II. Om hen te brengen tot standvastigheid in de leer en vrijheid van het Evangelie, stelt hij hun zijn eigen voorbeeld voor ogen en dat van de andere Joden, die het Christendom aangenomen hadden, en zegt hun wat hun hoop was, namelijk: Wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid. Ofschoon zij van geboorte Joden en onder de wet opgevoed waren, nu, door den Geest tot de kennis van Christus gebracht, hadden zij afgezien van alle steunen op de werken der wet, en verwachtten hun rechtvaardigmaking en zaligheid alleen van Hem door het geloof. En dus was het de grootste dwaasheid van hen, die nooit onder de wet geweest waren, om te dulden, dat men hen er nu aan onderwierp en om hun vertrouwen op hare werken te zetten. Hier merken wij op:
1. Wat het is, waarop de Christenen wachten, de hoop der rechtvaardigheid, waaronder wij voornamelijk moeten verstaan de gelukzaligheid in de andere wereld. Deze is de hoop der Christenen genoemd omdat zij het voorname voorwerp van hun hoop is, dat zij boven alle andere dingen begeren en najagen, en de hoop der rechtvaardigheid, omdat hun hoop gevestigd is op rechtvaardigheid, niet hun eigene, maar die van hun Heere Jezus. Want, ofschoon een leven van rechtvaardigheid de weg is, die tot deze gelukzaligheid leidt, toch is het alleen de gerechtigheid van Christus, die haar voor ons verworven heeft en waardoor wij verwachten mogen in haar bezit gesteld te zullen worden.
2. Hoe zij hopen dit geluk te verkrijgen, namelijk door het geloof in onzen Heere Jezus Christus, en niet door de werken der wet of enig ander ding, dat zij zouden kunnen doen om het te verdienen, maar alleen door het geloof, op Hem steunende als de Heere onze Gerechtigheid. Alleen in dezen weg verwachten zij er hier toe gerechtigd en hiernamaals mede begiftigd te worden. En:
3. Waardoor het is, dat ze alzo de hoop der rechtvaardigheid verwachten, het is door den Geest. Hierin handelen zij onder leiding en invloed van den Heiligen Geest, het is onder Zijn bestuur en door Zijn bijstand, dat zij bewogen en bekwaam gemaakt zijn om in Christus te geloven en voor de hoop der rechtvaardigheid op Hem te zien. Terwijl de apostel den toestand der Christenen zodanig schetst, ligt daarin opgesloten dat, wanneer zij langs anderen weg hun rechtvaardigmaking en verlossing verwachtten, zij bedrogen zouden uitkomen, en er daarom het grootste belang bij hadden om de leer van het door hen aangenomen Evangelie vast te houden.
III. Hij gewaagt van de natuur en de bedoeling van de instelling des Christendoms, welke was het onderscheid tussen Joden en heidenen weg te nemen en het geloof in Christus te openbaren als den enigen weg om door God aangenomen te worden. Hij zegt hun, vers 6, dat in Christus Jezus, dat is onder de bedeling des Evangelies, heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid. Zolang de bedeling der wet duurde was er een onderscheid gesteld tussen Jood en Griek, tussen hen die wel en hen die niet besneden waren. De eersten werden toegelaten tot de voorrechten van de kerk Gods, waarvan de laatsten uitgesloten waren. Maar onder de bedeling des Evangelies was dat anders. Christus, die het einde der wet is, gekomen zijnde, was het van geen belang meer of iemand besneden was of onbesneden, hij was er niet beter of minder om, de een was niet aanbevelenswaardiger voor God dan de ander. En daarom, terwijl hun Judese leraren zeer onredelijk waren door hun de besnijdenis op te dringen en hen te verplichten om de wet van Mozes te gehoorzamen, waren zij zeer dwaas indien zij zich daaraan onderwierpen. Doch, terwijl hij hun mededeelt, dat zomin besnijdenis als voorhuid dienen kan om ons Gode aangenaam te maken, meldt hij ook wat daartoe wèl dient, namelijk het geloof door de liefde werkende, zulk een geloof in Christus, dat zich openbaart als waar en echt door oprechte liefde voor God en den naasten. Indien zij dat bezaten, deed het er niet toe of zij al dan niet besneden waren, maar zonder dat zou niets hen baten.
1. Geen uitwendige voorrechten of belijdenis kunnen bijdragen tot onze aanneming door God, zonder een oprecht geloof in onzen Heere Jezus.
2. Waarachtig geloof is een werkzame genade, het werkt door liefde, liefde tot God en liefde tot onze broederen, en het geloof, dus door de liefde werkende, is het een en al in onze Christelijkheid.
IV. Om hen van afglijden tegen te houden en aan te moedigen tot groter standvastigheid in de toekomst, herinnert hij hun hun goed begin en roept hen op om na te gaan wat het was, waardoor zij zo veranderd waren, vers 7.
1. Hij zegt hun: gij liep wel. Bij hun eerste aannemen van het Christendom hadden zij zich zeer goed gedragen, zij hadden den Christelijken godsdienst bereidwillig omhelsd, en veel ijver in wandel en werkzaamheid aan den dag gelegd, in hun doop waren zij Gode toegewijd en hadden zij beleden discipelen van Christus te zijn, en hun gedrag was in overeenstemming met die belijdenis geweest.
A. Het leven des Christens is een loopbaan, waarin hij moet lopen en volhouden, indien hij den prijs winnen wil. B. Het is niet genoeg, dat wij in deze loopbaan lopen door onze belijdenis van het Christendom, maar wij moeten wèl lopen, door naar die belijdenis te leven. Dat hadden deze Christenen gedurende een poos gedaan, maar zij waren in hun voortgang gestuit, en werden van den weg afgeleid of tenminste struikelende en waggelende gemaakt. Daarom:
2. Vraagt hij hun en wenst dat zij zich zelven zullen vragen: Wie heeft u verhinderd? Hoe kwam het dat zij niet bleven in den weg, waarin zij begonnen waren zo wèl te lopen? Hij wist zeer goed wie zij waren en wat het was, dat hen verhinderde, maar hij verlangde dat zij zich zelven die vraag stellen zouden en daarbij ernstig overwegen of zij gegronde redenen hadden om te luisteren naar hen, die deze stoornis teweegbrachten, en of hetgeen deze mensen hun aanboden voldoende was om hun tegenwoordig gedrag te rechtvaardigen.
A. Menigeen, die goed begint in den godsdienst en voor een tijd wèl loopt-loopt binnen de perken van de loopbaan en met ijver en nauwgezetheid-wordt door een of andere stoornis verhinderd voort te gaan of keert terug.
B. Het betaamt hun, die wèl gelopen hebben, maar nu beginnen van den weg af te gaan of er een weerzin tegen krijgen, om te onderzoeken wat het is dat hen hindert. Jongbekeerden kunnen verwachten, dat Satan hun struikelblokken in den weg werpen zal en al wat hij kan doen zal om hen af te houden van hun loopbaan, dus wanneer zij bemerken, dat ze in gevaar zijn van terug te keren, moeten zij onderzoeken wat het is dat hen hindert. Wie zij ook waren, die deze Christenen hinderden, de apostel zegt dat zij door naar hen te horen verhinderd werden de waarheid gehoorzaam te zijn, en daardoor in gevaar kwamen van de zegeningen te verliezen, die zij door het Christendom verkregen hadden. Het Evangelie, dat hij hun verkondigd had en dat zij omhelsd en beleden hadden, verzekert hij hun dat de waarheid was, alleen daarin was de ware weg ter rechtvaardigmaking en verlossing ten volle geopenbaard, en indien zij van dat voorrecht genieten wilden, was het nodig dat zij het gehoorzaamden, dat zij met beslistheid er aan vasthielden en voortgingen hun wandel en handel naar de daarin vervatte voorschriften te regelen. Maar indien zij zich er van lieten aftrekken, zouden zij zich schuldig maken aan de grootste zwakheid en dwaasheid. Merk op: de waarheid moet niet alleen geloofd, maar ook gehoorzaamd worden, teneinde niet alleen haar licht te genieten, maar ook haar kracht en liefde te ondervinden. Zij, die niet oprecht de waarheid gehoorzamen, zullen ook niet standvastig zijn in haar aan te hangen. Wij hebben dezelfde reden om de waarheid te gehoorzamen, die we hadden om haar aan te nemen, en daarom doen zij zeer onredelijk, die begonnen hebbende met wèl te lopen in de Christelijke loopbaan, zich laten verhinderen om daarin te volharden.
V. Hij pleit voor hun standvastigheid in de waarheid en vrijheid des Evangelies op grond van den slechten oorsprong van het gevoelen, waardoor ze afgetrokken werden, vers 8. Dit gevoelen is niet uit Hem, die u roept. Het gevoelen, waarvan de apostel hier spreekt, was zonder twijfel dat van de noodzakelijkheid der besnijdenis en der onderhouding van de Mozaïsche wet, of van het mengen van de werken der wet met het geloof in Christus, ten einde rechtvaardig gemaakt te worden. Dat was het, waartoe de Judese leraren hen wilden dwingen en waartoe zij zich maar al te gemakkelijk lieten overhalen. Om hen te overtuigen van hun dwaasheid in dit opzicht zegt hij hun, dat dit gevoelen niet was uit Hem, die hen geroepen had, dat is hetzij God, op wiens gezag het Evangelie hun gepredikt was en zij tot deelneming daaraan toegelaten waren, hetzij de apostel, die gebruikt was als werktuig om hen daartoe te roepen. Het kon niet uit God zijn, want het was het tegendeel van den weg ter rechtvaardigmaking en verlossing, dien Hij geopend had. Ook konden zij het niet van Paulus ontvangen hebben, want, wat sommigen ook van hem mochten rondvertellen, hij was reeds sedert jaren een tegenstander, en geen prediker, van de besnijdenis. En indien hij in enkele gevallen haar toegestaan had ter wille van den vrede, toch had hij nooit aan enigen Christen het nut er van betoogd, veel minder haar voorgesteld als middel om zalig te worden. Aangezien dit gevoelen dus niet was uit hem, die hen riep, liet hij hun over te beoordelen uit wie het dan wel was. En hij doet duidelijk doorschemeren, dat het aan niemand anders toegeschreven kon worden dan aan Satan en zijn werktuigen, welken beproefden door dit middel hun geloof te overwinnen en den voortgang van het Evangelie te verhinderen. En daarom hadden de Galaten alle reden om het te verwerpen en standvastig te blijven in de waarheid, die zij eens omhelsd hadden.
1. Teneinde rechtvaardig te oordelen over de verschillende gevoelens, die onder de Christenen heersen, moeten wij onderzoeken of zij zijn uit Hem die ons riep, of ze al dan niet gegrond zijn op het gezag van Christus en Zijne apostelen.
2. Wanneer na onderzoek blijkt, dat zij dien grondslag niet hebben, dan mogen wij ons in geen geval er aan onderschikken, maar moeten ze verwerpen, hoe voornaam en geacht zij ook mogen zijn, die trachten ze ons te doen aannemen.
VI. Het gevaar bestond, dat deze besmetting zich zou uitbreiden en ook slechten invloed op anderen hebben. En ziedaar een andere bewijsvoering van den apostel tegen hun meegaan met die valse leraren, die hen tot deze dwalingen verlokten. Het is mogelijk dat zij, teneinde hun fout te bemantelen, zegden dat slechts weinigen van hun leraren trachtten hen tot dat gevoelen en die praktijk te bewegen, of dat er enkel enige ondergeschikte punten waren, waarin zij met hen overeenstemden, dat verder, ofschoon zij zich aan de besnijdenis onderwierpen en enige weinige Joodse plechtigheden onderhielden, zij toch in geen enkel opzicht hun Christendom vaarwel gezegd hadden en tot het Jodendom overgegaan waren. Of wellicht erkenden zij dat hun fout zo ernstig was als de apostel voorstelde, maar antwoordden zij daarop dat er slechts weinigen waren, die er toe waren overgegaan en hij daarom zich niet zo ongerust behoefde te maken. Teneinde zulke voorwendsels af te snijden en hen te overtuigen, dat er meer gevaar in was dan zij vermoeden konden, zegt hij hun, vers 9, Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg. Het gehele deeg van het Christendom kan doortrokken en bedorven worden door een zo verderflijk beginsel, ook kan de gehele gemeente van Christus besmet worden door een lid, en daarom was het ten hoogste in hun belang dat zij zich op dit ene punt niet onderwierpen, of, indien zij dat alrede gedaan hadden, met alle geschikte middelen trachtten de besmetting uit hun midden weg te doen. Het is gevaarlijk voor Christelijke gemeenten hen aan te moedigen, die verderfelijke dwalingen koesteren, vooral wanneer zij moeite doen om die te verspreiden. Dat was hier het geval. De leer, welke de valse leraars zo ijverig verspreidden en waardoor sommige gemeenten afgetrokken waren, was tegen het Christendom zelf, zoals de apostel aangetoond had, en daarom, ofschoon het aantal van de leraren of hun aanhangers slechts klein mocht zijn, toch, in aanmerking nemende de noodlottige strekking van die leer en het verderf van de menselijke natuur, waardoor allen maar al te licht aan besmetting blootstonden, wilde hij hen op dat punt niet rustig of ongewaarschuwd laten, maar herinnert hun dat een weinig zuurdesem het gehele deeg doorzuurt. Indien dezen geduld werden, zou de besmetting zich al spoedig verder uitbreiden, en wanneer zij toelieten, dat thans die leer ongehinderd verkondigd werd, zou spoedig blijken dat alles uitgelopen was op volslagen verwoesting van de waarheid en vrijheid van het Evangelie. VII. Teneinde hetgeen hij gezegd had des te gemakkelijker ingang te doen vinden, drukt hij de hoop uit, welke hij omtrent hen heeft, vers 10. Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen. Ofschoon hij veel vrees en twijfel omtrent hen had (hetgeen de aanleiding was waarom hij zoveel vrijmoedigheid in het spreken gebruikt had) hoopt hij toch dat God het geschrevene zou zegenen, opdat zij tot eensgezindheid met hem mochten gebracht worden, en blijven bij de waarheid en vrijheid des Evangelies, dat hij hun verkondigd had en nu trachtte in hen te bevestigen. Hierdoor leert hij ons, dat wij altijd het beste moeten hopen ook van hen, van wie wij reden hebben het ergste te vrezen. En opdat zij zich te minder beledigd zullen gevoelen over de verwijten, die hij hun gedaan had ten opzichte van hun onstandvastigheid in het geloof, legt hij den blaam meer op de anderen dan op hen zelven, want hij voegt er bij: Maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. Hij wist dat er sommigen waren, die hen beroerden, en het Evangelie van Christus wilden verkeren, Hoofdstuk 1:7, en misschien doelt hij op een man, die meer dan de anderen bezig was en het voornaamste werktuig was van de onordelijkheid onder hen, en aan dezen verwijt hij hun gebrek en hun onstandvastigheid meer dan aan hen zelven. Dit moet ons leren dat wij, bij het bestraffen van zonden en dwaling, altijd onderscheid maken moeten tussen leiders en hen die geleid worden, hen die er zich toe zetten om anderen mee te trekken en hen die meegetrokken worden. Daarom verzacht en bedekt de apostel de fout van deze Christenen, ofschoon hij hen bestraft, ten einde hen des te beter te bewegen om terug te keren en standvastig te zijn in de vrijheid, waarmee Christus hen vrijgemaakt had. Maar van hem of hen, die hen beroerd hadden, wie zij ook mochten zijn, verklaart hij dat zij het oordeel dragen zullen. Hij betwijfelt het niet of God met hen handelen zal overeenkomstig hun afkering, en in zijn rechtvaardige verontwaardiging tegen hen, als vijanden van Christus en Zijne gemeente, wenst hij: Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! - niet afgesneden van Christus en van de hoop op de zaligheid, maar afgesneden door de kerkelijke tucht, die behoorde toegepast te worden op deze leraren, welke dus de zuiverheid van het Evangelie vervalsten. Degenen, hetzij dienaren of anderen, die zich er toe lenen om het geloof des Evangelies te verderven en den vrede van de Christenen te verstoren, verbeuren daardoor de voorrechten van de Christelijke gemeenschap en behoren afgesneden te worden.
VIII. Ten einde deze Christenen terug te brengen van het luisteren naar hun Judese leraren, en hen te ontdekken aan de verkeerde indrukken, die zij ontvangen hebben, stelt hij dezen voor als mannen, die zeer lage en onedele middelen gebruikt hebben om hun doel te bereiken, want zij hadden hem in een verkeerd daglicht gesteld ten einde zelf des te gemakkelijker ingang bij hen te vinden. Hun doel was de Galaten aan de besnijdenis te onderwerpen en het Jodendom met het Christendom te vermengen, en om dat des te beter te bereiken, hadden zij rondgestrooid dat Paulus zelf de besnijdenis predikte. Daarom zegt hij, vers 11, Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik. Het blijkt duidelijk, dat zij van hem zeiden dat hij zulks deed, en zij hadden dat gebruikt als een middel om er de Galaten toe te brengen. Het is waarschijnlijk, dat zij dit gerucht ontleenden aan het feit, dat hij Timotheus had laten besnijden, Handelingen 16:3. Maar, ofschoon hij toen op goede gronden de besnijdenis uitvoerde, ontkent hij ten sterkste dat hij een prediker der besnijdenis was, en vooral niet met de bedoeling, die zij er aan hechtten. Om de onrechtvaardigheid van die beschuldiging te bewijzen, voert hij de volgende gronden aan, die hen indien zij ze wilden overwegen, zeker overtuigen zouden.
1. Indien hij de besnijdenis predikte, zou hij daardoor vervolging vermijden. Indien ik de besnijdenis predik, zegt hij: waarom word ik nog vervolgd? Het was algemeen bekend en zij konden er niet onwetend van zijn, dat hij door de Joden gehaat en vervolgd werd, maar welke reden kon hij aangeven voor dit hun gedrag jegens hem, indien hij zozeer met hen overeengestemd had, dat hij de besnijdenis predikte en de waarneming van de wet van Mozes als nodig ter zaligheid? Dat was de voorname oorzaak, waarom zij hem haatten, en indien hij het hierin met hen eens geweest ware, zou hij, in plaats van hun woede op te wekken, in hun gunst gedeeld hebben. Want daarom leed hij vervolging van hen, en dit was een duidelijk bewijs dat hij niet met hen overeenstemde, ja, hij was er zover af dat hij de leer predikte, die men hem toedichtte, dat hij, liever dan dat te doen, zich blootstelde aan de grootste gevaren.
2. Indien hij hierin voor de Joden zich gebogen had dan zou de ergernis des kruizes vernietigd zijn. Zij zouden niet zoveel ergernis nemen aan de leer des Christendoms als zij deden, ook zouden hij en anderen niet aan zoveel lijden blootgesteld zijn als nu het geval was. Hij zegt ons, 1 Corinthiërs 1:23, dat de prediking van het kruis van Christus (de leer van de rechtvaardigmaking en verlossing door het geloof in Christus en dien gekruist) den Joden een ergernis was. Hetgeen hun in het Christendom den meesten aanstoot gaf, was dat daardoor de besnijdenis en het geheel van de wettelijke bedeling als niet langer van kracht terzijde gesteld was. Dit verwekte hun grootste tegenspraak en prikkelde hen om de belijders ervan tegen te staan en te vervolgen. Indien nu Paulus en de anderen op dit punt toegegeven hadden, dat de besnijdenis nog moest onderhouden en de wet van Mozes nageleefd worden en als nodig ter zaligheid bij het geloof in Christus gevoegd, dan zou hun haat tegen hem voor een groot deel verdwenen zijn, en dan zou hij de vervolging vermeden hebben, welke hij nu daarom onderging. Maar ofschoon anderen en vooral zij, die er zo op uit waren om hem als prediker van die leer voor te stellen, gemakkelijk daartoe konden overgaan, hij niet alzo. Hij verkoos liever vertrouwen en gemak er aan te wagen, ja zelfs zijn leven, dan zo de waarheid te verminken en de vrijheid van het Evangelie op te geven. Daarom was het, dat de Joden voortgingen het Christendom, en hen als de verkondigers daarvan, zo fel te haten. De apostel zuivert zich daardoor van de onjuiste beschuldiging, welke zijne vijanden hem naar het hoofd geworpen hadden, en terzelfder tijd toont hij hoe weinig vertrouwen de mannen verdienden, die hem zo onrechtvaardig behandelden, en hoeveel reden hij had om te wensen dat zij afgesneden werden.