Galaten 3:6-18
Nadat de apostel de Galaten bestraft heeft omdat zij der waarheid niet gehoorzaam zijn, en getracht heeft hun een indruk te geven van hun uitzinnigheid in dit opzicht, bewijst hij in deze verzen in het brede de leer, die zij verwierpen, de rechtvaardigmaking door het geloof zonder de werken der wet. Hij doet dit op verscheidene wijzen.
I. Door het voorbeeld van Abrahams rechtvaardigmaking. Deze bewijsvoering gebruikt de apostel in Romeinen
IV. Abraham geloofde God en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend, vers 6, dat is, zijn geloof grondde zich op het woord en de belofte van God, en op dit geloof nam God hem aan als een rechtvaardig man, op grond daarvan wordt hij voorgesteld als de vader der gelovigen, zoals de apostel ons zegt dat wij moeten verstaan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn, vers 7, niet naar het vlees, maar naar de belofte en dus dat zij gerechtvaardigd worden op dezelfde wijze als hij. Abraham werd gerechtvaardigd uit het geloof, en dat worden zij ook. Om dit te bevestigen wijst de apostel er op, dat de belofte aan Abraham gedaan werd, Genesis 12:3. In u zullen al de volken gezegend worden, vers 8, en dat deze daar betrekking op had. De Schrift wordt gezegd te voorzien, omdat hij, die de Schrift ingaf, voorzag, dat God de heidenwereld zou rechtvaardigen door het geloof, en dat daarom in Abraham, dat is in Abrahams zaad, Christus, niet alleen de Joden, maar ook de heidenen zouden gezegend worden, niet enkel gezegend in het zaad Abrahams, maar gezegend gelijk Abraham, dat is gerechtvaardigd als hij. Dat noemt de apostel: het Evangelie aan Abraham verkondigd, en voegt er bij, vers 9, dat zij, die uit het geloof zijn, dat is de ware gelovigen, van welk volk zij ook zijn mogen, gezegend worden met den gelovigen Abraham. Zij worden gezegend met Abraham, den vader der gelovigen, in de belofte aan hem gedaan en daar om door het geloof evenals hij. Door het geloof in de belofte Gods werd hij gezegend, en het is alleen in dezelfden weg, dat anderen dit voorrecht verkrijgen.
II. Hij toont aan dat wij niet anders dan door geloof, gegrond op het Evangelie, kunnen gerechtvaardigd worden, want de wet veroordeelt ons. Wanneer wij ons met onze zaak voor die rechtbank begeven, worden wij, door haar vonnis, zeker verworpen en veroordeeld, en zijn verloren, want zo velen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek, zo velen als er bouwen op de verdiensten van hun eigen werken voor hun rechtvaardigheid en hun schuldeloos- verklaring, en daarop steunen voor hun rechtvaardigmaking, zullen zeker het oordeel tegen zich gekeerd zien, want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, vers 10 en Deuteronomium 27:26. De voorwaarde van leven door de wet is: volkomene, persoonlijke, voortdurende gehoorzaamheid, haar eis is: Doe dat en gij zult leven, of als in vers 12 :De mens, die deze dingen doet zal door dezelve leven, maar voor elke tekortkoming heeft de wet een vloek. Tenzij onze gehoorzaamheid volkomen zij op alle punten, onafgebroken in alle dingen die in het boek der wet geschreven zijn, en onophoudelijk zodat wij geen ogenblik en in geen enkel opzicht tekortschieten, liggen wij onder den vloek der wet. De vloek is ons geopenbaard, onze ondergang gedreigd, het is een afscheiding onder alle kwaad en in volle kracht van alle zondaren, en daardoor van alle mensen, want allen hebben gezondigd en staan schuldig voor God. En dus, daar wij als overtreders der wet onder haar vloek liggen, is het vergeefs om naar haar op te zien ter rechtvaardigmaking. Maar, ofschoon dit niet van de wet verwacht kan worden, toont de apostel dat er een weg geopend is om aan dezen vloek te ontkomen en weer in Gods gunst te delen, namelijk door het geloof in Christus, die (zoals hij in vers 13 zegt) ons verlost heeft van den vloek der wet. Het middel, waardoor Christus ons verlost heeft van den vloek der wet, was dat Hij een vloek geworden is voor ons. Nadat Hij voor ons zonde gemaakt is, is Hij voor ons een vloek geworden, niet van God gescheiden maar voor het ogenblik gebracht onder dat vreeslijk teken van Gods toorn, dat de wet van Mozes een bijzondere betekenis gegeven had in Deuteronomium 21:23. Het doel daarvan was, dat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou door Christus Jezus, dat allen, die geloofden in Christus Jezus, hetzij Joden of heidenen, erfgenamen van Abrahams zegen zouden worden, en vooral van die grote belofte des Geestes, welke bewaard was voor de bedeling des Evangelies. Hieruit is het duidelijk dat zij het volk Gods en erfgenamen der belofte waren geworden niet door zich onder de wet te plaatsen, maar door in Christus te geloven. Merk hier op:
1. De ellende, waarin wij als zondaren verzonken waren, wij waren onder den vloek en het vonnis der wet.
2. De liefde en genade van onzen Heere Jezus Christus jegens ons, Hij is een vloek gemaakt om ons te verlossen van den vloek der wet.
3. Het heerlijke vooruitzicht, dat wij door Hem hebben, niet slechts van aan den vloek te ontkomen, maar ook van de zegening te beërven.
4. Het is alleen door het geloof, dat wij hopen kunnen deze zegening deelachtig te worden.
III. Ten bewijze dat de rechtvaardigmaking door het geloof is en niet door de werken der wet, haalt de apostelijk het duidelijk getuigenis van het Oude Testament aan, vers 11. De plaats, waarheen hij verwijst, is Habakuk 2:4, waar staat: De rechtvaardige zal door het geloof leven. Ze is ook aangehaald in Romeinen 1:17 en Hebreeën 10:38. De bedoeling is aan te tonen, dat alleen zij rechtvaardig en gerechtig zijn, die waarlijk leven, die van dood en vloek verlost zijn en hersteld in een staat van leven in de gunst Gods, en dat alleen door het geloof de mensen gerechtvaardigd worden, en alleen als zodanig dit leven en geluk verkrijgen, dat zij aangenomen worden door God, bekwaam gemaakt om voor Hem te leven, en gerechtigd tot een eeuwig leven in Zijne gemeenschap hiernamaals. Daarom zegt de apostel: Het is openbaar, dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God. Wat hij daardoor ook moge zijn naar het oordeel van anderen, hij is het toch niet voor God, want de wet is niet uit het geloof -, die zegt ons niets van het geloof met betrekking tot de rechtvaardigmaking, ook geeft zij het leven niet aan degenen, die geloven, maar haar uitspraak is: De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven, Leviticus 18:5. Zij stelt volmaakte gehoorzaamheid tot voorwaarde voor het leven, en daarom kan zij in geen geval het middel tot rechtvaardigmaking zijn. Deze bewijsvoering van den apostel geeft ons gelegenheid om op te merken, dat de rechtvaardigmaking door het geloof geen nieuwe leer is, want zij was bevestigd en onderwezen in de kerk Gods lang voor de bedeling van het Evangelie. Ja, zij was het enige middel, waardoor zondaren ooit werden of worden gerechtvaardigd.
IV. Met dit oogmerk wijst de apostel op de vastheid van Gods verbond met Abraham, dat niet werd ter zijde gesteld of vernietigd door het geven van de wet van Mozes, vers 15 en v.v. Het geloof kwam voor de wet, want Abraham werd gerechtvaardigd door het geloof. Hij bouwde op de belofte, en beloften zijn de eigenaardige voorwerpen van geloof. God trad in een verbond met Abraham, vers 8, en dit verbond was vast en blijvend, zelfs de verbonden van mensen zijn zulks, des te meer dit! Wanneer het verbond gesloten is, en de artikelen van overeenkomst verzegeld, dan zijn beide partijen gebonden, en dan is het te laat om de zaken op anderen voet te regelen, en daarom kan niet verwacht worden, dat door de later gekomen wet het verbond van God krachtloos zou gemaakt worden. Het oorspronkelijke woord diathêkê betekent beide: verbond en testament. Nu was de belofte, aan Abraham gedaan, meer een testament dan een verbond. Wanneer een testament kracht verkregen heeft door den dood van den testamentmaker, dan kan het niet meer veranderd worden, en omdat de belofte aan Abraham gedaan het karakter van een testament had, bleef zij vast en onveranderlijk. Maar indien men zou aanmerken, dat een testament vervalt door gebrek aan personen om aanspraak te maken op zijn inhoud, vers 16, toont hij aan dat daarvoor in dit geval geen gevaar is. Abraham is gestorven en de profeten zijn gestorven, maar het verbond is gemaakt met Abraham en zijn zaad. En hij geeft ons daarvan een zeer verrassende verklaring. Wij zouden gedacht hebben, dat daarmee alleen het volk der Joden bedoeld was. Neen, zegt de apostel: dat staat er in het enkelvoud en duidt dus een enkel persoon aan: dat zaad is Christus. Derhalve is het verbond nog steeds van kracht, want Christus blijft eeuwig zowel in Zijn persoon als in Zijn geestelijk zaad, die de Zijnen zijn door het geloof. En indien tegengeworpen wordt, dat de wet door Mozes gegeven dat verbond vernietigde, omdat die allen nadruk op de werken legde en zo weinig bevatte van geloof in den komenden Messias, dan antwoordt hij, dat de later komende wet het voorafgaande verbond der belofte niet kon teniet doen, vers 18 :Indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis, maar zegt hij: God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven. Het zou dus onbestaanbaar zijn met Zijne heiligheid, wijsheid en getrouwheid, door enige daarna komende handeling de belofte ter zijde te stellen en daardoor den weg ter rechtvaardigmaking te veranderen, dien Hij zelf had vastgesteld. Indien de erfenis aan Abraham gegeven was door de belofte, en daarbij ook op zijn geestelijk zaad overgegaan was, kunnen wij verzekerd zijn dat God Zijne belofte niet zal intrekken, want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.