Galaten 3:19-29
De apostel heeft even tevoren gesproken van de belofte, gedaan aan Abraham, en deze-niet de wet- voorgesteld als het middel tot rechtvaardigmaking, en nu neemt hij aanleiding om over de betekenis en bedoeling van de wet te spreken en ons mede te delen tot welk oogmerk zij gegeven was, opdat men niet zou gaan denken, dat hij de wet te laag stelde en haar als volkomen nutteloos beschouwde. Er kon gevraagd worden: "Indien de belofte voldoende was ter zaligheid, waar diende dan de wet toe?" Of: "waarom gaf God dan de wet door Mozes?" Hierop antwoordt hij:
I. De wet is om der overtredingen wil daarbij gesteld, vers 19. Zij was niet bestemd om de belofte teniet te doen en een ander middel ter rechtvaardigmaking te geven dan in de belofte geschonken was, maar zij was daarbij gesteld, er aan toegevoegd met het oogmerk om er aan dienstbaar te zijn, om der overtredingen wil. De Israëlieten, ofschoon zij verkoren waren om Gods volk te zijn, waren zondaren gelijk alle anderen, en daarom was de wet gegeven om hen te overtuigen van zonden, en van hun onderworpenheid daardoor aan het goddelijk ongenoegen, want door de wet is de kennis der zonden, Romeinen 3:20, en de wet is daartussen gekomen opdat de zonde te meerder worde, Romeinen 5:20. Zij was dus gegeven om hen van de zonden terug te houden, om beslag op hun zielen te leggen en een teugel aan hun lusten, opdat ze niet zouden vervallen tot het uiterste van ongerechtigheid, waartoe ze van nature geneigd waren. En toch was zij terzelfder tijd bestemd om hen te leiden in den waren en enigen weg, waarin de zonden konden uitgedelgd worden en waarin zij vergeving verkrijgen konden, namelijk door den dood en de offerande van Christus, en dat was de bepaalde bedoeling, waartoe de wet van offeranden en reinigingen gegeven was. De apostel voegt hierbij, dat de wet gegeven was totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was, dat is: totdat Christus zou gekomen zijn (het voorname zaad in de belofte bedoeld, gelijk hij tevoren aangetoond had) of tot de verkondiging van het Evangelie geschieden zou, wanneer Joden en heidenen, zonder onderscheid, door het geloof het zaad van Abraham worden zouden. De wet was er bijgevoegd om der overtredingen wil, totdat de volheid der tijden, deze volle verkondiging, zou gekomen zijn. Maar toen het zaad kwam en een volkomener openbaring van de in de belofte gegeven goddelijke genade was geschonken, was de wet, door Mozes gegeven, bestemd om op te houden. Dat verbond, verouderd bevonden, moest door een ander en beter vervangen worden, Hebreeën 8:7, 8. En ofschoon de wet, als wet beschouwd, altijd van kracht blijft en nog voortgaat met haar werking om de mensen van zonden te overtuigen en terug te houden, zijn wij niet langer onder den dwang en den schrik van dat wetsverbond. De wet was dus niet bestemd om een anderen weg tot rechtvaardigmaking, verschillend van dien der belofte, te ontdekken, maar alleen om de mensen hun behoefte aan de belofte te doen gevoelen en hen te wijzen op Christus, door wie alleen zij vergeving en rechtvaardigmaking verkrijgen konden. Als verder bewijs dat de wet niet was bestemd om de belofte teniet te doen, voegt hij er bij: zij is door de engelen besteld in de hand des middelaars. Zij was aan andere personen gegeven, op andere wijze dan de belofte en dus tot ander doel. De belofte was gedaan aan Abraham en aan al zijn geestelijk zaad, bevattende gelovigen uit alle volken, zowel heidenen als Joden, maar de wet was gegeven aan de Israëlieten als een bepaald volk en afgezonderd van de rest der mensheid. En terwijl de belofte onmiddellijk door God gegeven was, werd de wet door de engelen besteld in de hand des middelaars. Hierdoor wordt duidelijk, dat de wet de bestemming niet hebben kon om de belofte terzijde te zetten, want, vers 20, de middelaar is niet middelaar van een (van slechts ene der beide partijen, maar God is een, slechts een der partijen in het verbond der belofte met Abraham gesloten. Daarom kan niet verondersteld worden, dat bij een handeling, welke voorviel alleen tussen God en het volk der Joden, Hij ene belofte ongeldig maken zou, die Hij lang tevoren gedaan had aan Abraham en diens geestelijk zaad zowel heidenen als Joden. Dat zou niet zijn overeenkomstig Zijn wijsheid, waarheid en getrouwheid. Mozes was enkel een middelaar tussen God en de Israëlieten, niet tussen God en het geestelijk zaad van Abraham, en daarom kon de door hem gegeven wet niet de uitwerking hebben, die de belofte had, en nog veel minder de belofte teniet doen.
II. De wet was gegeven om de mensen te overtuigen van de noodzakelijkheid van een Zaligmaker. De apostel vraagt, vers 21, -hetgeen sommigen konden tegenwerpen-"Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods?" Zijn zij waarlijk met elkaar in tegenspraak en strijd? Of: zet gijzelf niet het verbond met Abraham en de wet van Mozes tegenover elkaar? Daarop antwoordt hij: Dat zij verre! Hij was er ver vandaan zulk een denkbeeld te koesteren, en het kon ook niet opgemaakt worden uit hetgeen hij gezegd had. De wet is in geen geval onbestaanbaar met de belofte, maar aan haar ondergeschikt. Haar doel is de overtredingen der mensen bloot te leggen en aan te tonen hoeveel behoefte zij hebben aan betere rechtvaardigheid dan die der wet. De bedoelde gevolgtrekking zou eer volgen uit hun leerstelling dan uit de zijne: Want indien er ene wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn, en in dat geval zou de belofte overtollig en nutteloos geworden zijn. Maar in onzen tegenwoordigen toestand was dat onmogelijk, want de Schrift heeft alles onder de zonde besloten, vers 22. Die heeft verklaard, dat beiden, Joden en heidenen, in een staat van schuld zijn, en daarom onmachtig om gerechtigheid en rechtvaardigmaking door de werken der wet te verwerven. De wet ontdekte hun wonden, maar kon geen geneesmiddel geven, zij toonde aan dat zij schuldig waren en schreef daarom offers en reinigingen voor, welke duidelijk bleken onvoldoende te zijn om de zonden weg te nemen, en dus was haar grote doel, dat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden, dat zij, overtuigd van hun schuld en van de ontoereikendheid der wet om gerechtigheid voor hen te verwerven, gedrongen zouden worden om te geloven in Jezus Christus en daardoor de zegeningen der belofte deelachtig te worden.
III. De wet was bedoeld als onze tuchtmeester tot Christus, vers 24. In het vorige vers heeft de apostel ons meegedeeld welke de toestand der Joden was onder de Mozaïsche huishouding, dat voordat het geloof kwam, of voordat Christus verscheen en in Hem de rechtvaardigmaking door het geloof ten volle geopenbaard was, zij allen onder de wet besloten waren, verplicht, onder strenge straffen, haar verschillende voorschriften nauwgezet op te volgen. Zij waren tot dien tijd besloten, opgesloten onder de verschrikking en heerschappij der wet, als gevangenen. Het doel daarvan was dat zij des te gereder bereid zouden zijn om het geloof, dat geopenbaard zou worden, te omhelzen, overreed te worden om Christus aan te nemen, als Hij in de wereld komen zou, en zich te verenigen met de betere bedeling, waarvan Hij de brenger was, waardoor zij bevrijd zouden worden van banden en dienstbaarheid en overgezet in een toestand van licht en vrijheid. In dien staat, zo zegt hij, was de wet hun tuchtmeester tot Christus, opdat zij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Zij verklaarde Gods wil betreffende hen, en sprak terzelfder tijd een vloek over hen uit voor elke tekortkoming, en was dus zeer geschikt om hen te overtuigen van hun eigen verloren toestand in hen zelven, en om hen de zwakheid en ongenoegzaamheid van hun eigen rechtvaardigheid voor Gods ogen te doen gevoelen. Zij legde hun een menigte van offeranden op, welke, ofschoon zij op zich zelve de zonden niet konden wegnemen, afschaduwingen waren van Christus en van de grote offerande, die hij tot uitdelging der zonden brengen zou, en wees hen dus (alhoewel op duistere en onduidelijke wijze) op Hem als hun enige toevlucht en redding. En zo was zij hun tuchtmeester, om hen te onderwijzen en te besturen in hun staat van onmondigheid, of gelijk het woord paidagoogos, eigenlijk betekent: hun dienstknecht om hen te leiden tot Christus (zoals kinderen naar school gebracht worden door de dienstboden, aan wie de zorg voor hen opgedragen is), opdat zij door de wet als hun leermeester beter onderwezen mochten worden in den waren weg tot rechtvaardigmaking en verlossing, welke alleen door het geloof in Christus is, en waarvan Hij de volkomen en duidelijkste openbaring geven zou. Maar indien men zou zeggen: Zo de wet die betekenis en bedoeling voor de Joden had, waarom zou zij daartoe dan ook niet dienen onder de Christelijke bedeling, dan voegt de apostel er, vers 25, aan toe: Maar als het geloof gekomen is, en de bedeling des Evangelies begon, waaronder Christus en de weg van vergeving en leven door het geloof in Hem in het helderste licht geplaatst werden, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. Wij hebben geen behoefte meer aan de wet om ons tot Hem te leiden. Dus leert de apostel ons tot welk nut en doel de wet diende, en omtrent hij daarover zegt, merken wij het volgende op:
1. De goedheid Gods voor Zijn oude volk, om hun de wet te geven, want ofschoon die, in vergelijking met de bedeling des Evangelies, een bedeling van duisternis en schrik was, gaf zij toch voldoende middelen aan de hand om hen te leiden in hun plichten jegens Gods en hun hoop op Hem aan te moedigen.
2. De grote fout en dwaasheid van de Joden, door de bedeling van de wet te misverstaan en te misbruiken tot een doel zo geheel en al verschillend van dat, waarmee God haar gegeven heeft, want zij verwachtten gerechtvaardigd te worden uit hare werken, terwijl zij nooit bestemd was als een middel ter rechtvaardigmaking, maar alleen als een middel om hen te overtuigen van hun schuld en van hun behoefte aan een Zaligmaker, en om hen te leiden tot Christus en het geloof in Hem, als de enige weg om dit voorrecht te verkrijgen, Zie Romeinen 11:31, 32 en 10:3, 4.
3. Het grote voorrecht van de bedeling des Evangelies boven die der wet, onder welke wij niet alleen ons verheugen in een veel helderder inzicht in de goddelijke genade en barmhartigheid dan de Joden van den ouden dag hebben konden, maar ook bevrijd zijn van het juk der dienstbaarheid en vreze, waaronder zij gebukt gingen. Wij worden niet behandeld als minderjarige kinderen, maar als volwassen zonen, aan wie groter vrijheid en heerlijker voorrechten verleend zijn dan zij ooit bezaten. Daarover weidt de apostel in de volgende verzen uit. Want na te hebben aangetoond tot welk doel de wet gegeven was, noemt hij in het slot van dit hoofdstuk onze voorrechten door Christus op, welke hij in het bijzonder verklaart te zijn:
A. Dat wij zijn kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus, vers 26. En hierbij mogen wij opmerken: Het grote en heerlijke voorrecht, dat de Christenen onder het Evangelie genieten: Zij zijn kinderen Gods, zij worden niet langer gerekend dienstknechten te zijn, maar zonen, zij worden niet langer op zulk een afstand en onder zulke bepalingen gehouden, als de Joden, maar hun wordt nader en vrijer toegang tot God verleend dan dezen vergund was, ja zij waren toegelaten tot het getal, en hebben recht op al de voorrechten van Zijne kinderen. Zij verkrijgen dat voorrecht door het geloof in Jezus Christus. Na Hem aangenomen te hebben als hun Heere en Zaligmaker, en van Hem alleen alles voor hun rechtvaardigmaking en verlossing verwachtende, zijn zij in deze heerlijke betrekking tot God toegelaten, en gerechtigd tot de voordelen daarvan, want: Johannes 1:12, Zo velen als Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen naam geloven. En hij herinnert ons, vers 27, dat dit geloof in Christus, waardoor zij kinderen werden, door hen was beleden in den doop, want hij voegt er bij: Zo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. In den doop hun geloof in Hem beleden hebbende, waren zij daardoor aan Hem gewijd, en hadden, als het ware, Zijne livrei aangetrokken, en zich verklaard Zijne dienaren en leerlingen te zijn. En na op die wijze leden van Christus geworden te zijn, waren zij door Hem geëigend en erkend als kinderen van God. Merk hier op: Ten eerste: De doop is nu de plechtige verklaring van onze opname in de Christelijke gemeente, gelijk de besnijdenis was bij de Joden. Onze Heere Jezus stelde hem daartoe in, door de opdracht, die Hij Zijnen apostelen gaf, Mattheus 28:19, en dientengevolge was het hun gewoonte te dopen hen, die zij tot het Christelijk geloof gebracht hadden, en wellicht maakt de apostel hier melding van hun doop, en van hun kind- worden van God door het geloof in Christus, daarin beleden, om een nieuwe aanmerking af te snijden, welke de valse leraren konden in `t midden brengen ten voordele van de besnijdenis. Zij zouden kunnen zeggen: Ofschoon toegegeven kan worden dat de wet, als op Sinaï afgekondigd, door de komst van Christus, het beloofde zaad, is afgedaan, toch behoort de besnijdenis niet mede te vervallen, want die was aan Abraham gegeven gelijktijdig met de belofte en lang voor de wet van Mozes. Maar de moeilijkheid wordt voldoende uit den weg geruimd door de woorden des apostels. Zij, die in Christus gedoopt zijn, hebben Christus aangedaan, want daaruit blijkt dat onder het Evangelie de doop kwam in de plaats der besnijdenis en dat zij, die door den doop Christus toegewijd zijn en oprecht in Hem geloven, in alle opzichten evenzo toegelaten zijn tot de voorrechten van het Christendom als de Joden door de besnijdenis het waren tot die der wet, Filippenzen 3:3. En derhalve was er geen enkele reden waarom die plechtigheid nog zou onderhouden worden. Ten tweede: Door onzen doop doen wij Christus aan, wij belijden daardoor Zijne discipelen te zijn en zijn dus verplicht ons te gedragen als Zijn getrouwe dienaren. In Christus gedoopt zijnde, zijn wij in Zijn dood gedoopt, opdat gelijk Hij stierf en weer opstond, wij in overstemming daarmee, ook der zonde sterven en in nieuwheid des levens wandelen zouden, Romeinen 6:3, 4. Het zou ons zeer tot voordeel verstrekken, indien wij dat wat meer bedachten.
B. Dat dit voorrecht van Gods kinderen en door den doop Christus toegewijd te zijn, nu algemeen door alle ware Christenen genoten wordt. De wet maakte werkelijk scheiding tussen Joden en Grieken, en gaf den Joden in vele opzichten voorrang. Zij maakte evenzo onderscheid tussen gebondenen en vrijen, meester en dienstknecht, en tussen man en vrouw, alleen de mannen werden (door de besnijdenis) in het verbond opgenomen. Maar nu is dat niet zo, allen staan gelijk, allen zijn een in Christus Jezus. De een wordt niet aangenomen ter wille van enig nationaal of persoonlijk voorrecht, dat hij boven anderen heeft, de ander wordt niet verworpen omdat hij dat mist, maar allen, die oprecht in Christus geloven, van welke natie, sekse, stand in de maatschappij, zij ook wezen mogen, worden door Hem aangenomen en kinderen Gods door het geloof in Hem.
C. Indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad en naar de belofte erfgenamen. De Joodse leraren lieten hen geloven, dat ze besneden moesten worden en de wet van Mozes onderhouden, om zalig te worden. "Neen," zegt de apostel, "dat behoeft niet, want indien gij van Christus zijt, indien gij oprecht in Hem gelooft, die het beloofde zaad is, in wie al de geslachten der aarde zouden gezegend worden, dan wordt gij daardoor het ware zaad van Abraham, de vader der gelovigen, en als zodanig naar de belofte erfgenamen, en bijgevolg zijt gij dan ook gerechtigd tot al haar grote zegeningen en voorrechten. En daarom, ten slotte, sinds bleek dat de rechtvaardigmaking niet verkregen kon worden door de werken der wet, maar alleen door het geloof in Christus, en dat de wet van Mozes een tijdelijke instelling was en gegeven met doeleinden, die ondergeschikt aan de belofte waren en niet daarboven verheven, en dat nu, onder het Evangelie, de Christenen veel groter voorrechten genieten dan de Joden onder hare bedeling, volgt daaruit noodzakelijk dat zij zeer onredelijk en uitzinnig waren, door te luisteren naar hen, die trachtten hen in een slag te beroven van de waarheid en de vrijheid des Evangelies.