Ezra 8:24-30
Wij hebben hier een bericht van Ezra's bijzondere zorg voor de schat, die hij bij zich had en die aan Gods heiligdom behoorde.
Merk op
1. De bewaring ervan aan God overgegeven hebbende, gaf hij hem nu over in de bewaring van de daartoe bevoegde en geschikte mensen, wier plicht en werk het was om er over te waken, hoewel zij zonder God tevergeefs gewaakt zouden hebben. Onze gebeden moeten steeds vergezeld gaan van onze pogingen, de zorg voor Christus' Evangelie, Zijn kerk en Zijn inzettingen moet niet zo aan Hem worden overgelaten of zij moet ook "aan getrouwe mensen toevertrouwen worden," 2 Timotheus 2:2 T.
2. God gebeden hebbende om al het goed dat zij bij zich hadden te bewaren, toont hij zich vooral in zorg voor dat deel ervan dat aan het huis Gods behoorde en een offerande aan Hem was. Verwachten wij dat God door Zijn voorzienigheid bewaren zal hetgeen ons toebehoort? Zo laat ons door Zijn genade datgene bewaren wat Hem behoort, laat Gods eer en belangen onze zorg zijn, dan kunnen wij verwachten dat ons leven en onze gerieflijkheden Zijn zorg zullen zijn. Let op:
A. De personen, aan wie hij de offeranden voor het huis Gods overgaf. Twaalf oversten van de priesters, en even zoveel Levieten werden voor die post door hem aangesteld, vers 24, 30, die door hun ambt verplicht waren zorg te dragen voor de dingen Gods en op bijzondere wijze het voordeel van die schatten genoten. Ezra zegt hun waarom hij die dingen in hun handen stelde, vers 28. Gij zijt heilig de Heere, wie is zo geschikt om zorg te dragen voor heilige dingen, als heilige personen? Zij, die de waardigheid en de eer van het priesterschap hebben, moeten er ook de verplichtingen van hebben. Als de profeet de terugkeer voorzegt van Gods volk en van Zijn dienaren uit Babel, geeft hij hun deze plechtige last: "Reinigt u, gij, die de vaten des Heeren draagt" Jesaja 52:11.
B. De grote nauwkeurigheid, waarmee hij dit aanvertrouwde pand in hun handen legt hij woog hun het zilver en het goud en de vaten vers 25, omdat hij verwachtte het in gewicht van hen terug te ontvangen. In alle toevertrouwde zaken, maar inzonderheid in heilige zaken, behoren wij stipt en nauwkeurig te zijn, en van beide zijden omtrent de juiste waarde van de dingen ingelicht zijn. In Zerubbabels tijd werden de vaten overgeleverd bij getallen, hier bij gewicht, opdat allen overgeleverd zouden worden en het spoedig zou worden ontdekt zo er iets aan ontbrak. Hiermede wordt te kennen gegeven dat zij, aan wie heilige dingen worden toevertrouwd (en dat zijn alle uitdelers van de verborgenheden Gods) goed weten wat zij hebben ontvangen en wederom moeten overleveren, daar zij er weldra rekenschap van zullen hebben af te leggen, opdat zij er getrouw in zullen zijn en er met blijdschap verantwoording van kunnen doen.
C. De last, die hij hun gaf met deze schatten, vers 29. "Waakt en bewaart het, dat er niets van verloren raakt of gestolen wordt of met andere zaken wordt vermengd, houdt het bij elkaar, houdt het afzonderlijk, houdt het veilig, totdat gij het alles afweegt in de tempel voor het aangezicht van de grote mannen aldaar." Hiermede gaf hij hun te kennen van hoeveel belang het voor hen was om zorgzaam en getrouw te wezen, en hoezeer het hun tot eer zou strekken om aldus getrouw bevonden te worden. Zo heeft Paulus, toen hij Timotheus de Evangelieschat heeft overgegeven, hem bevolen die te bewaren tot aan de verschijning voor Hem om rekenschap te geven van het pand, dat hem werd toevertrouwd, wanneer zijn getrouwheid zijn kroon zal zijn.