Ezra 4:17-24
Wij hebben hier:
I. De orders, door de koning van Perzië gegeven in antwoord op het bericht, dat hem door de Samaritanen tegen de Joden gezonden was. Hij heeft zich door hun bedrog en hun leugens laten misleiden, nam geen zorg om een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hun verklaringen nopens de Joden en hetgeen zij nu deden, maar nam als bewezen aan dat de beschuldiging waar was, en zo was hij volkomen bereid om hun een order van zijn staatsraad te doen toekomen om het werk te doen staken.
1. Hij raadpleegde het archief betreffende Jeruzalem, en bevond dat die stad werkelijk tegen de koning van Babel had gerebelleerd, en dat zij dus was, wat zij haar noemden, een boze stad, vers 19, en daarbij, dat daar in vroegere tijden koningen geregeerd hebben, aan wie al de landen aan die zijde van de rivier schatplichtig waren geweest, vers 20, en dat er dus gevaar was dat zij, indien zij er ooit de macht toe hadden (dat echter niet waarschijnlijk was) die landen wederom als schatplichtigen zouden opeisen. Hij spreekt dus zoals zij gesproken hebben, en wendt voor er een reden voor op te geven. Zie hierin het harde lot van vorsten, die zien moeten met ogen van anderen en horen moeten met oren van anderen, en over de dingen moeten oordelen zoals zij hun voorgesteld worden, en zeer dikwijls worden zij hun vals voorgesteld. Gods oordeel is daarom altijd juist, want Hij ziet de dingen zoals zij zijn, en zo is Zijn oordeel dan ook naar waarheid.
2. Hij gebood deze Samaritanen dat zij het bouwen van de stad onmiddellijk moesten doen ophouden, totdat er nader order voor gegeven zou worden, vers 21, 22. Er wordt noch door hen in hun brief, noch door hem in zijn order, gewag gemaakt van het bouwen van de tempel, omdat en zij èn hij wel wisten dat zij niet alleen verlof, maar een bevel hadden van Cyrus, om die te herbouwen, en zelfs de Samaritanen durfden de intrekking van dat bevel niet voorstellen, zij spraken alleen van de stad. Laat die niet gebouwd worden, dat is: als een stad met muren en poorten, dat moet in elk geval worden voorkomen, opdat geen verderf tot schade van de koningen zal toenemen Hij wilde niet dat de kroon verliezen zou lijden, doordat hij haar droeg.
II. Het gebruik, dat de vijanden van de Joden van deze orders gemaakt hebben, die op zo bedrieglijke wijze verkregen waren. Zodra zij ze ontvangen hadden, togen zij in haast naar Jeruzalem, vers 23. "Hun voeten snellen naar het kwaad," Spreuken 1:16. Zij hadden geen geduld voordat aan de bouwers die order betekend was, welke zij toonden als hun volmacht om met macht en geweld het bouwen te beletten. Gelijk zij de koning bedrogen om door hun valse inlichtingen die order te verkrijgen, zo bedrogen zij hem ook in de tenuitvoerbrenging er van, want de order hield alleen in dat zij het ommuren van de stad zouden beletten, maar macht en geweld aan hun zijde hebbende, legden zij haar uit als betrekking hebbende op het bouwen van de tempel, want tegen die bouw waren zij gekant, en om die te beletten verlangden zij een schijn van recht te hebben. Wel was er in de order de zinsnede dat zij bevel moesten geven om die mannen te beletten maar zij had betrekking op hun aanklacht nopens het bouwen van de muren, terwijl zij haar toepasten op het bouwen van de tempel. Zie hoe nodig het ons is te bidden, niet alleen voor koningen, maar ook voor allen, die onder hen in hoogheid zijn, en voor de stadhouders die door hen gezonden worden, want dat wij een gerust en stil leven kunnen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid hangt grotendeels af van de rechtschapenheid en wijsheid van de mindere magistraten zowel als van de hoogste.
Het gevolg was dat door de macht en de onbeschaamdheid van de vijanden het werk aan het huis Gods voor een tijd ophield, en zo stond het door de koelheid en onverschilligheid van zijn vrienden stil tot aan het tweede jaar van Darius Hystaspes, want uit de draad van deze gewijde geschiedenis is het voor mij duidelijk, dat het deze Darius was, vers 24. Hoewel het nu door het geweld van de Samaritanen stopgezet was, hadden zij er toch spoedig onder oogluiking mee kunnen voortgaan, indien zij slechts ware liefde hadden gehad voor het werk, hetgeen hieruit blijkt, dat zij, voor zij nog een bepaalde volmacht hadden van de koning om het te doen, bestraft werden door de profeten, omdat zij het niet gedaan hebben, Hoofdst. 5:1, vergeleken met Haggai 1:1 en verv. Indien zij behoorlijke maatregelen hadden genomen om Cambyses in te lichten nopens de ware toedracht van de zaak, hij zou de order misschien herroepen hebben, maar sommigen van de bouwers waren misschien even gewillig om het werk te doen ophouden als de wederpartijders. In sommige tijden heeft de kerk meer geleden door de lauwheid van haar vrienden dan door de hitte van haar vijanden, maar beide tezamen zullen gewoonlijk maken, dat het werk van de kerk langzaam werk wordt.