Ezra 3:8-13
Er was onder de wedergekeerde Joden geen strijd of zij de tempel al of niet zouden bouwen, daartoe werd onmiddellijk besloten, en wel dat het met bekwame spoed gedaan zou worden. Welke vertroosting of lieflijkheid konden zij smaken in hun eigen land, indien zij dit teken van Gods tegenwoordigheid en de stichting van Zijns naams gedachtenis onder hen niet hadden? Wij hebben dus hier een bericht van het begin van dat goede werk.
Merk op:
I. Wanneer het werd begonnen: in de tweede maand van het tweede jaar, zodra het jaargetijde het hun slechts zou veroorloven, vers 8 en nadat de plechtigheden van het pascha voorbij waren. Zij gebruikten weinig meer dan een half jaar voor de toebereiding van de grond en van de materialen, zozeer was hun hart er op gezet. Als enigerlei goed werk gedaan moet worden, dan zullen wij verstandig handelen als wij er ons zo spoedig mogelijk toe begeven en geen tijd laten verloren gaan, ja zelfs dan, als wij er moeilijkheden en tegenstand bij voorzien. Aldus verbinden wij er onszelf toe en zullen wij God verbinden om er ons in te helpen. Een goed begin, zegt het spreekwoord, is het halve werk.
II. Wie het begonnen. Zerubbabel en Jesua met hun broederen. Gods werk zal dan waarschijnlijk goede voortgang hebben als de overheid, de leraren en het volk er van harte aan medewerken, en allen eenstemmig zijn om het te bevorderen. Het was God, die hun een hart gaf voor deze dienst. En dit voorspelde welslagen.
III. Wie er verder voor gebruikt werden: Zij stelden de Levieten over het werk, vers 8, en deze deden het door opzicht te hebben over hen, die het werk deden, vers 9, hun handen te sterken door goede, aanmoedigende woorden. Zij, die zelf het werk niet doen, kunnen toch goede dienst bewijzen door hen, die het wèl doen, op te wekken en te bemoedigen.
IV. Hoe God geloofd werd bij het leggen van het fundament van de tempel, vers 10,11, de priesters met de trompetten, voorgeschreven door Mozes, en de Levieten met de cimbalen voorgeschreven door David, maakten een concert van muziek, niet om het oor te strelen maar om het zingen te begeleiden en te steunen van die eeuwige hymne, die nooit verandert en voor welke ons hart en onze mond altijd gestemd moeten zijn: "God is goed, Zijn goedertierenheid is" "tot in eeuwigheid," het refrein van psalm 136. Laat al de stromen van de genade nagespoord worden tot aan bron. In welke toestand wij ook verkeren, wèlke smart ons deel zij, wèlke angsten ons kwellen, laat het erkend worden dat God goed is en dat, wat ook moge falen, Zijn goedertierenheid nooit faalt. Laat dit gezongen worden met toepassing op onszelf zoals hier, dat Zijn goedertierenheid niet alleen is tot in eeuwigheid, maar dat zij tot in eeuwigheid is over Israël, over Israël toen zij gevangen waren in een vreemd land en vreemdelingen waren in hun eigen land. Hoe het ook zij, "God is Israël goed," Psalm 73:1, goed jegens ons. Laat de herleving van de belangen van de kerk toen zij dood schenen, toegeschreven worden aan de eeuwige voortduring van Gods goedertierenheid, want daarom is het dat de kerk voortduurt, dat is blijft bestaan.
V. De verschillende aandoeningen van het volk. Er was bij deze gelegenheid een merkwaardige vermenging van gewaarwordingen. Er heersten verschillende gevoelens onder het volk van God en ieder gaf uitdrukking aan hetgeen er bij hem omging, en toch was er geen onenigheid onder hen hun harten waren niet van elkaar vervreemd en de gemeenschappelijke belangen werden er niet door benadeeld of vertraagd.
1. Zij, die alleen de ellende kenden van geen tempel te hebben, hebben toen zij het fundament voor een gelegd zagen, de Heere geloofd met gejuich, vers 11. Voor hen scheen zelfs dit fundament reeds groot, was het als een leven uit de doden, voor hun hongerende ziel was dit reeds zoet. Het volk juichte met groot gejuich, zodat de stem tot van verre gehoord werd. Wij behoren dankbaar te wezen voor het begin van zegen of genade, al is dit ook nog niet tot volkomenheid gekomen, en het fundament van een tempel na langdurige verwoesting kan niet anders dan een fontein van vreugde wezen voor ieder getrouw Israëliet.
2. Zij, die zich de heerlijkheid herinnerden van de eerste tempel, die Salomo gebouwd had, en bedachten hoever naar alle waarschijnlijkheid deze er bij zou achterstaan, misschien in afmetingen, zeker in pracht en rijkdom, weenden met luider stem, vers 12. Indien wij de gevangenschap dateren van het vierde jaar van Jojakim, dan was het pas twee en vijftig jaren geleden dat de tempel verbrand was, indien van Jechonia's gevangenschap, dan was het slechts negen en veertig. Zodat velen, die nu leefden, hem zich nog konden herinneren in al zijn pracht en luister, en het was een grote zegen voor de gevangenen, dat het leven van zovelen van hun priesters en Levieten verlengd was geworden, zodat deze hun nu konden verhalen wat zij zich herinnerden van de heerlijkheid van Jeruzalem, teneinde hen op te wekken bij hun terugkeer. Dezen nu betreurden de onevenredigheid tussen deze tempel en de vorigen. En er was wel enige reden voor, en zo zij hun tranen in het rechte kanaal lieten vloeien en dus de zonde beweenden, die de oorzaak was van dit treurig verschil, dan deden zij wèl. Zonde benevelt de glans van ieder volk en van iedere kerk, en als zij zich verminderd vinden en naar de diepte gebracht, dan moet dit aan haar geweten worden Toch was het ook hun zwakheid, die hun deze tranen met de algemene vreugde deed vermengen, en er als het ware een nevel over wierp. Zij verachtten de dag van de kleine dingen en waren ondankbaar voor het goede, dat zij genoten, omdat het niet zo goed was als dat hun voorouders hadden, hoewel het veel beter was dan zij verdienden. Laat er in de harmonie van openbare vreugde geen wanklank gehoord worden. Het was een verzwaring van de ontmoediging, die zij hierdoor het volk gaven, dat zij priesters en Levieten waren, die zelf hadden moeten weten, en anderen hadden moeten leren wat de rechte gemoedsgesteldheid was die door de verschillende leidingen van Gods voorzienigheid bij hen teweeggebracht behoorde te worden, zij hadden niet moeten toelaten dat het besef van tegenwoordige zegeningen door de herinnering aan vroegere beproevingen verdrongen zou worden. Deze vermenging van leed en blijdschap hier is een voorstelling van deze wereld, sommigen baden zich in stromen van geneugten, terwijl over anderen baren en golven van leed en verdrukking heengaan. In de hemel zingen allen, en zucht niemand, in de hel wenen en weeklagen allen, en is er niemand die zich verblijdt maar hier op aarde kunnen wij nauwelijks het gejuich van de vreugde van de stem des geweens onderkennen. Laat ons leren ons te verblijden met de blijden en te wenen met de wenenden en zelf blijd te zijn als niet blij zijnde, en te wenen als niet wenende.