Ezra 2:36-63
I. Hier is een bericht van de priesters, die teruggekeerd zijn, en zij vormden een aanzienlijk getal, ongeveer een tiende van het gehele gezelschap, want allen tezamen waren meer dan twee en veertig duizend, vers 64, en vier geslachten van priesters bedroegen tezamen ruim twee en veertig honderd, vers 36, 39, dat was dus een tiende, Gods deel, een gezegende vertiening. Drie van de vaderen van de priesters, hier genoemd, waren hoofden van afdelingen, 1 Kronieken 24:7-8, 14. De vierde was Pashur, vers 38. Indien deze de nakomelingen waren van die Pashur die Jeremia mishandelde, Jeremia 20:1, dan is het vreemd dat een zo slecht man zo goed en zo talrijk een zaad heeft gehad.
II. Van de Levieten. Ik moet mij verwonderen over hun klein aantal, want met de zangers en poortwachters, vers 40-42, bedroeg hun getal slechts driehonderd en vijftig. Er was een tijd, toen de Levieten ijveriger waren voor hun plicht dan de priesters, 2 Kronieken 29:34, maar zo was het nu niet. Als een plaats of een familie thans beroemd is voor vrome ijver dan zal een andere het op een andere tijd zijn. De wind blaast waarheen hij wil, en verandert van richting.
III. Van de Nethinim, die, naar verondersteld wordt, de Gibeonieten waren, gegeven (dat is de betekenis van hun naam) eerst door Jozua, Jozua 9:27, en daarna door David, Ezra 8:20 nadat Saul hen uitgeworpen had, om door de Levieten in het werk van Gods huis gebruikt te worden als houthouwers en waterputters, en met hen van de kinderen van Salomo's knechten die hij voor eenzelfde doel gegeven had, (of dat Joden of heidenen waren blijkt niet) en hier genoemd worden onder de bedienden van de tempel en gerekend met de Nethinim, vers 55-58. Het is een eer om tot Gods huis te behoren, al is het ook voor het geringste werk.
IV. Van sommigen, die beschouwd werden als geboren Israëlieten, en van anderen als priesters, maar die hun recht op die eer niet voldoende konden bewijzen.
1. Er waren sommigen, die niet konden bewijzen Israëlieten te zijn, vers 59, 60, een aanzienlijk getal, die vermoedden dat zij van het zaad Jakobs waren, maar hun stamboom niet konden overleggen en toch naar Jeruzalem wilden gaan, daar zij genegenheid hadden voor het huis en het volk van God. Dezen beschaamden de geboren Israëlieten, die toch niet waarlijk Israëlieten waren, "uit de" "wateren van Juda waren voortgekomen," Jesaja 48:1, maar de smaak van die wateren hadden verloren.
2. Er waren anderen, die niet konden bewijzen priesters te zijn, en toch verondersteld werden van het zaad Aärons te wezen. Wat niet in zwart op wit bewaard wordt, zal naar alle waarschijnlijkheid spoedig vergeten zijn. Nu wordt ons hier gezegd:
a. Hoe zij hun bewijs hadden verloren. Een van hun voorvaderen had een dochter gehuwd van Barzillai, die voorname man, van wie wij in Davids tijd hebben gelezen. Hij roemde in zijn verbintenis met die eerwaardige familie, en dit hoger stellende dan de waardigheid van zijn priesterschap, wilde hij dat zijn kinderen naar Barzillai's geslacht genoemd en hun stamboom in de registers van dat huis bewaard zouden worden, en niet in het huis van Aäron, en zo hebben zij hem verloren. In Babel was er met het priesterschap niets te winnen en daarom was er hun niets aan gelegen aan de priesterschap verwant te zijn. Zij, die hun bediening of hun verwantschap met bedienaren van de Godsdienst een verkleining of verlaging voor zich achten, vergeten wie gezegd heeft: ik maak mijne bediening heerlijk.
b. Wat zij er mee verloren. Het moest niet als bewezen worden aangenomen dat zij priesters waren, als zij hun bewijs niet konden overleggen, maar zij werden als onreinen van het priesterdom geweerd. Nu de priesters hun rechten hadden herkregen en wederom het altaar hadden om van te leven, wilden zij wel graag als priesters beschouwd worden. Maar zij hadden hun geboorterecht verkocht voor de eer van voorname, in de wereld aanzienlijke mannen te zijn, en daarom werden zij nu terecht verlaagd en werd het hun verboden van de heiligste dingen te eten. Christus zal zich hunner schamen, die zich van Zijn en Zijn dienst geschaamd hebben.
Het was de tirsatha, of gouverneur, die hun dit verbod oplegde. Sommigen menen dat deze tirsatha Zerubbabel was, anderen houden hem voor Nehemia, die aldus genoemd wordt, Nehemia. 8:10, 10:I, die deze order gegeven heeft toen hij enige jaren later gekomen is. Het verbod was echter niet absoluut, het was slechts een schorsing, totdat er een hogepriester zou zijn met urim en tummim, door wie zij naar Gods wil betreffende deze zaak konden vragen. Dit scheen verwacht en begeerd te zijn, maar het blijkt niet dat zij er ooit ten tijde van de tweede tempel mee bevoorrecht werden. Zij hadden de voltooiden kanon van het Oude Testament, die beter was dan urim, en door het gebrek aan dit orakel werd hen geleerd de Messias te verwachten, het grote orakel waarvan de urim en tummim slechts een type waren. Het blijkt ook niet dat de ark in de tweede tempel was, hetzij de oude, of een nieuwe, deze schaduwen zijn trapsgewijze verdwenen, naarmate het wezen naderbij kwam, en door de profeet geeft God aan Zijn volk te kennen dat zij geen schade zullen lijden door het gebrek aan de ark, Jeremia 3:16, 17. "In die" "dagen, wanneer zij Jeruzalem des Heeren troon zullen noemen en alle" "heidenen tot hetzelve vergaderd zullen worden, zullen zij niet meer" "zeggen: de ark des verbonds des Heeren, ook zal zij in het hart niet" "opkomen," want het zal hun goed gaan zonder haar.