Daniël 10:1-9
Dit gezicht dateert van het derde jaar van Kores, dat wil zeggen van zijne regeering na de verovering van Babel, zijn derde jaar, sinds Daniël met hem in aanraking kwam en zijn onderdaan werd. Hier is,
1. Iets algemeens over deze profetie, vers 1:De zaak is waarheid, ieder woord van God is waar, het was waar, dat Daniël zulk een gezicht had, en dat dat en dat gezegd werd. Dat betuigt hij plechtig op zijn woord als profeet. Et hoc paratus est verificare-Hij was bereid het waar te maken, en, indien het een woord was, door engelen gesproken, dan is het zonder twijfel vast en betrouwbaar. Doch in een gezetten grooten tijd, die duurde tot het einde van de regeering van Antiochus, dat was driehonderd jaar, inderdaad een lange tijd, als hij nog verloopen moet. Ja, en omdat het iets gewoons is bij profeten, een blik te slaan op geestelijke en eeuwige dingen, is er in zijne profetie, dat eene afbeelding is van dingen, die betrekking hebben op gebeurtenissen in de verre toekomst van het einde der wereld en de opstanding der dooden, en daarom mocht hij wel zeggen, dat de gezette tijd groot was. Het werd hem evenwel zoo duidelijk gemaakt, alsof het eer geschiedenis dan profetie was. Hij verstond die zaak, zoo duidelijk werd ze hem overgegeven en door hem ontvangen, dat hij zeggen kon, dat hij verstand had van het gezicht. Het werkte niet zoozeer op zijne verbeelding als op zijn verstand.
11. Een bericht van Daniëls zelfkastijding voordat hij dit visioen had, niet, omdat hij het verwachtte, en ook blijkt niet, dat, toen hij dat plechtige gebed deed, hij eenige verwachting had van dat visioen als een antwoord daarop, maar louter uit een beginsel van vroomheid en uit vrome sympathie met het beproefde volk van God. Hij was treurende volle drie weken, vers 2, om zijn eigene zonden en de zonden van zijn volk, en hun ellende. Sommigen meenen, dat de bijzondere reden van zijn treuren de nalatigheid en onverschilligheid was van velen der Joden, die, hoewel zij vrij waren om naar hun land terug te keeren, toch in het land der gevangenschap bleven, niet wetende hoe zij de hun aangeboden voorrechten meesten waardeeren, en misschien ergerde het hem te meer, omdat die zoo deden, zich rechtvaardigden met het voorbeeld van Daniël, hoewel zij niet dezelfde redenen hadden om achter te blijven. Anderen meenen, dat het was omdat hij hoorde van de tegenwerking, die de bouw van den tempel van de vijanden der Joden ondervond die raadslieden tegen hen huurden om hunnen raad te vernietigen, Ezra 4:4, 5, alle de dagen van Kores, en verkregen wat zij verlangden van Cambyses, of Artaxerxes, zijn zoon, die regeerde, terwijl Cyrus krijg voerde tegen de Scythen. Goede menschen moeten wel treuren, als zij zien, hoe langzaam Gods werk voortgang maakt in de wereld en hoeveel tegenstand het ontmoet, hoe zwak Zijne vrienden en hoe werkzaam Zijne vijanden zijn. Gedurende de dagen van zijn treuren at hij geen begeerlijke spijs, hij kon niet leven zonder te eten, maar hij at weinig en zeer sober, en kwelde zich door de kwaliteit zoowel als door de kwantiteit van hetgeen hij at, en dat kan naar waarheid vasten genoemd worden, en een bewijs van vernedering en smart. Hij at niet het smakelijke brood, dat hij gewoon was te eten, maar grove en onsmakelijke spijze, waarvan hij niet in de verzoeking kwam om iets meer te eten dan beslist noodzakelijk was om zijn lichaam in stand te houden. Evenals alles wat schoon is, zoo is ook alles, wat smakelijk is, zeer onaangenaam op een dag van vernedering. Vleesch of wijn kwam in zijn mond niet, ook zalfde hij zich niet, zoolang die drie weken duurden, vers 3. Hoewel hij nu een zeer oud man was, en zich verontschuldigd kon houden, omdat de zwakte van zijn leeftijd voedzamen kost eischte, hoewel hij een zeer groot man was, en zich vrijpleiten kon, omdat hij, gewend aan lekker eten, er niet buiten kon, daar anders zijne gezondheid er onder lijden zou, toch kon hij zichzelf aldus verloochenen als het dienen moest om zijne vroomheid beide te betuigen en te hulp te komen, dit zij gezegd om menigen jongen man beschaamd te maken, die geen hooger rang bekleedt en er niet toe komen kon zichzelf zoo te verloochenen.
III. Eene beschrijving van dien heerlijken persoon, dien Daniël in het visioen zag, die naar men algemeen aanneemt, niemand anders kan zijn dan Christus, het eeuwige Woord. Hij was aan den oever van de rivier de Hiddekel, vers 4. Waarschijnlijk wandelde hij daar, niet voor zijn vermaak, maar verdiept in vrome beschouwing, zooals Isaak in het veld wandelde, om te peinzen, en, daar hij iemand van aanzien was, vergezelden zijne dienaren hem op eenigen afstand. Daar hief hij zijne oogen op en zag een man, een man alleen, namelijk de mensch Jezus Christus. Hij moet het geweest zijn, want Hij verschijnt in dezelfde gedaante, waarin Hij verscheen aan Johannes op het eiland Patmos, Openbaring 1:13-15. Zijne kleeding was die van een priester. want Hij is de hoogepriester van onze belijdenis, met linnen bekleed, zooals de hoogepriester op den verzoendag, dien grooten dag, Zijne lendenen waren omgord (in het visioen van Johannes was Hij aan de borsten omgord) met fijn goud van Ufaz. het fijnste, dat er bestond, want alles aan Christus is het beste in zijn soort. De gordel beteekent, dat Hij gereed is voor en ijverig in zijn werk, als de dienaar Zijns Vaders, in het werk onzer verlossing. Zijne gedaante was liefelijk, Zijn lichaam gelijk een turkoois, een kostbare steen van hemelsblauwe kleur. Zijn gelaat was geducht, en geschikt om de toeschouwers schrik in te boezemen, want Zijn aangezicht was gelijk de gedaante des bliksems, die het oog verblindt. Zijne oogen waren schitterend gelijk vurige fakkelen. Zijne armen en Zijne voeten blonken gelijk de verf van gepolijst koper, vers 6. Zijne stem was luid en sterk en doordringend, gelijk de stem eener menigte. Vox Dei-De stem van God kan vox populi-de stem des volks onhoorbaar maken. Zoo heerlijk verscheen Christus, en dat is eene uitnoodiging aan ons,
1. Om hooge en eerbiedige gedachten van Hem te hebben. Aanmerkt nu hoe groot deze is, en laat Hij in al onze gedachten de eerste plaats innemen.
2. Om Zijne nederbuigende goedheid voor ons en onze zaligheid te bewonderen. Al deze majesteit bedekte Hij met een sluier, toen Hij de gestalte van een dienstknecht aannam en Zijne ziel uitstortte.
IV. De wonderbare uitwerking, die deze verschijning op Daniël en zijne begeleiders had, en de schrik, die hem en hun daardoor ingeboezemd werd.
1. Zijn gevolg zag dat gezicht niet, het was niet betamelijk, dat zij met dat gezicht vereerd werden. Er is eene goddelijke openbaring, die allen te beurt valt, en waarvan niemand uitgesloten wordt, die zichzelf niet uitsluit, maar dit gezicht was alleen voor Daniël, die een gunsteling was. De reisgezellen van Paulus zagen wel het licht, maar werden niemand gewaar, Handelingen 9:7, 22:9. Het is de eer van hen, die God liefhebben, dat hun bekend is, wat voor anderen verborgen is. Christus openbaart zich aan hem, maar niet aan de wereld, Johannes 14:22. Maar, hoewel zij het visioen niet zagen, werden zij door eene onverklaarbare siddering aangegrepen, hetzij door de stem, die zij hoorden, of door eene vreemde golving of trilling van de lucht, die zij voelden, zoodat eene groote verschrikking op hen viel, en zij vloden om zich te versteken, waarschijnlijk onder de wilgen, die aan den oever der rivier groeiden. Velen hebben den geest der dienstbaarheid tot vreeze, die nooit den geest der aanneming ontvangen, voor wie Christus nooit iets anders is geweest en nooit iets anders zal zijn dan verschrikking. De schrik van Daniëls gevolg is eene bevestiging van de waarheid van het gezicht, het kon Daniëls fantasie niet zijn, en geen voortbrengsel van zijne verhitte verbeelding, want het had eene werkelijke, machtige en vreemde uitwerking op die om hem heen waren.
2. Hij zelf zag het en zag het alleen, maar hij kon den aanblik niet verdragen. Het verblindde niet alleen zijne oogen, maar overstelpte ook zijn geest, zoodat hij geen kracht behield, vers 8. Hij zeide, als Mozes zelf: Ik ben zeer bevreesd en bevende. Zijn geest was zoo verdiept, hetzij in de beschouwing van de heerlijkheid van dit visioen of in de versterking van zijn hart tegen den schrik er van, dat zijn lichaam als `t ware levenloos en zonder geest achterbleef. Er was geen kracht in hem, en er was maar eene schrede tusschen hem en den dood, hij was zoo bleek als de dood, zijne kleur was verdwenen, zijne sierlijkheid was aan hem veranderd in verderving, en er bleef geen kracht in hem overig. De grootste en beste der menschen kunnen de rechtstreeksche openbaringen van de goddelijke heerlijkheid niet verdragen niemand kan ze zien en leven, het is bijkans de dood om er iets van te zien, zooals Daniël ervoer, maar verheerlijkte heiligen zien Christus zooals Hij is en kunnen het gezicht verdragen. Maar, hoewel Daniël zoo krachteloos werd door het visioen van Christus toch hoorde hij de stem Zijner woorden en wist, wat Hij zeide. Wij moeten op onze hoede zijn, dat onze eerbied voor Gods heerlijkheid, waardoor wij opgewekt moeten worden om Zijne stem te hooren, beide in Zijn woord en Zijne leiding, niet ontaardde in zulk een vrees voor Hem, dat wij geen kracht en geen moed meer hebben er naar te luisteren. Het schijnt wel, dat, terwijl het visioen van Christus Daniël verschrikte, Zijne woorden hem spoedig geruststelden en hem de kracht teruggaven, zijne vrees deden wijken, en hem in heilige zekerheid en gemoedsrust in slaap deden vallen: Toen ik de stem Zijner woorden hoorde, viel ik in slaap, een zoeten slaap op mijn aangezicht, en met mijn aangezicht ter aarde. Toen hij het visioen zag, wierp hij zichzelf voorover, in de houding der nederigste aanbidding, en viel in slaap, niet uit onverschilligheid voor wat hij hoorde en zag, maar erdoor bekoord. Hoe vreeselijk Christus ook schijnen mag dengenen, die zich van zonde bewust, en daarom bevreesd zijn, in Zijne woorden is genoeg om hun geest tot rust en kalmte te brengen, als zij er maar met aandacht naar willen luisteren.