2 Timotheus 4:9-15
Hier, aan het einde van den brief, worden verschillende bijzondere onderwerpen behandeld, die Paulus aan Timotheus opnoemt.
1. Hij verzoekt hem om zo spoedig mogelijk tot hem te komen, vers 9. Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. Timotheus was een evangelist, geen gevestigd dienaar van ene gemeente, maar volgde de aanwijzingen van de apostelen, tot opbouwing der gemeenten. Paulus had nu het gezelschap en de hulp van Timotheus nodig, en de reden daarvan was dat verscheidenen hem verlaten hadden, vers 10. Een hunner had dat gedaan uit slecht beginsel, namelijk Demas, die daardoor voor altijd slecht bekend staat. Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen. Hij verliet Paulus en diens belangen, hetzij uit vrees voor lijden, want Paulus was nu een gevangene en Demas was bevreesd dat hij om zijnentwil in moeite zou komen, hetzij van zijne bediening afgetrokken door wereldse zaken, waarin hij verstrikt geraakt was. Zijn eerste liefde voor Christus en het Evangelie had hij verzaakt en verlaten en hij had de wereld lief gekregen. Liefde voor de tegenwoordige wereld is dikwijls de oorzaak van afval van de waarheid en den weg van Jezus Christus. Hij was weggegaan, naar Thessalonica gereisd, waarschijnlijk daarheen geroepen door handelsbelangen of andere wereldlijke aangelegenheden. Crescens was naar Galatië gegaan en Titus naar Dalmatië. Lukas echter bleef bij Paulus, vers 11, 12, en was dat niet genoeg? Paulus dacht er niet zo over, hij ha gaarne het gezelschap van zijn vrienden.
2. Hij spreekt met achting over Markus. Hij is mij zeer nut tot den dienst. Waarschijnlijk is deze dezelfde Markus, om wie enige verbittering ontstond tussen Paulus en Barnabas, Handelingen 15:39. Paulus wilde hem toen medenemen tot het werk, omdat hij eens gezwicht was en teruggegaan. Maar nu zegt hij: Neem Markus mede, en breng hem met u. Hieruit blijkt dat Paulus met Markus verzoend was en nu betere gedachten over hem had. Dit leert ons dat wij vergevensgezind moeten zijn, wij moeten dus niet voor altijd de diensten weigeren van hen, die nuttig zijn ofschoon zij zich wellicht vroeger misdragen hebben.
3. Paulus verzoekt Timotheus tot hem te komen, en den weg door Troas te nemen om hem vandaar enige dingen te brengen, die hij er achtergelaten had, vers 13. Hij had daar een reismantel gelaten, dien Paulus allicht in een koude gevangenis nu goed gebruiken kon. Het was waarschijnlijk een gewoon kledingstuk van Paulus, een eenvoudige dracht. Sommigen lezen: de rol perkamenten, die ik te Troas gelaten heb, anderen de lessenaar, die ik achterliet. Paulus werd geleid door goddelijke ingeving, maar toch wilde hij zijn boeken bij zich hebben. Hij had Timotheus opgewekt om te volharden in het lezen, en hij deed het zelf ook, ofschoon hij nu als een drankoffer zou geofferd worden. Zolang wij leven, moeten wij leren Inzonderheid de perkamenten, sommigen denken, de oorspronkelijke brieven die hij geschreven had, anderen denken aan de huiden, waarvan hij tenten maakte en waardoor hij, werkende met zijn eigen handen, zijn brood verdiende.
4. Hij noemt Alexander, en het kwaad dat deze hem gedaan heeft, vers 14, 15. Deze is dezelfde, die in Handelingen 19:33 genoemd wordt. Het schijnt dat hij een belijder van den Christelijken godsdienst geweest was, en wel een voornaam belijder, want hij werd vooral kwalijk gehandeld door de vereerders van Diana, en nu deed hij Paulus veel kwaad. Paulus was dikwijls in gevaar van valse broederen, 2 Corinthiërs 11:26, meer dan van openlijke vijanden. Paulus voorzegt dat de Heere het hem vergelden zal. Het is een profetische aankondiging van het rechtvaardig oordeel Gods, dat hem zou treffen. De Heere vergelde hem (of zal hem vergelden) naar zijne werken. Hij waarschuwt Timotheus om zich voor hem in acht te nemen: Van welken wacht gij u ook, dat hij niet, onder den schijn van vriendschap, u verrade en u leed berokkene. Het is gevaarlijk iets te doen te hebben met mensen, die vijanden zijn van een man als Paulus was. Merk op:
A. Sommigen, die eens Paulus' hoorders en bewonderaars waren, gaven hem later weinig reden van blijdschap, de een verliet hem en de andere deed hem veel kwaads en weerstond zijn woorden met alle kracht.
B. Toch noemt hij terzelfder tijd anderen met welgevallen, de slechtheid van den een deed hem de goedheid van den ander niet vergeten, zoals Timotheus, Titus, Markus en Lukas.
C. De apostel heeft een brandmerk achtergelaten op de namen en de nagedachtenis van twee personen, de ene is Demas, die hem verliet omdat hij de tegenwoordige wereld lief gekregen had, en de andere is Alexander, die zijn woorden zeer tegengestaan had.
D. God zal kwaaddoeners, vooral afvalligen, vergelden naar hun werken.
E. Voor mensen met het karakter van Alexander moeten wij op onze hoede zijn, want zij zullen ons geen goed doen, maar zoveel kwaad als in hun vermogen is.