2 Kronieken 9:1-12
Dit verhaal werd uitvoerig besproken bij 1 Koningen 10, maar omdat onze Heiland het ons ten voorbeeld heeft gesteld bij ons zoeken en vragen naar Hem, MATTHEUS. 12:42, moeten wij het niet overslaan zonder kort op te merken:
1. Hen, die God eren, zal Hij eren, l Samuël 2:30. Salomo had God grotelijks geëerd in het bouwen, versieren en inwijden van de tempel.
Al zijn wijsheid en al zijn rijkdom werden aangewend om dit tot een volmaakt stuk werks te maken, en nu heeft God zijn wijsheid en zijn rijkdom grotelijks doen strekken tot zijn roem. Het middel om beide de eer en de vertroosting van al onze gaven en bekwaamheden te hebben is: ze Gode te wijden, ze voor Hem te gebruiken.
2. Zij, die de waardij kennen van ware wijsheid, zullen moeite noch kosten ontzien om haar te verkrijgen. De koningin van Scheba heeft zich. zeer veel moeite en grote onkosten getroost om de wijsheid van Salomo te horen en toch heeft zij, van hem lerende God te dienen en haar plicht te betrachten, zich ruim beloond geacht voor haar moeite.
Hemelse wijsheid is de parel van grote waarde, en als wij alles verkopen om die te verkrijgen, hebben wij een goeden koop gesloten.
3. Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, behoort haar te bedienen tot stichting van anderen, naar hij er de gelegenheid toe heeft. Salomo was mededeelzaam met zijn wijsheid, en bereid om aan anderen te leren wat hij zelf wist. Van God geleerd zijnde, had hij om niet ontvangen, en nu gaf hij om niet.
Laat hen, die rijk zijn in wijsheid zowel als in het goed van deze wereld, leren goed te doen, gaarne mededelende zijn. Geef degenen, die iets van u bidt.
4. Goede orde in een familie, een grote familie, inzonderheid ten opzichte van de dingen Gods en een geregeld volbrengen van de plichten van de Godsverering, zijn zeer voegzaam en zeer te bewonderen, waar zij worden gevonden. De koningin van Scheba was ten uiterste getroffen, om de gepastheid te zien, waarmee Salomo's dienaren hem dienden, en waarmee zij en hij de dienst in het huis Gods bijwoonden. Davids opgang naar het huis des Heeren was ook lieflijk en belangwekkend, Psalm 42:5.
5. Diegenen zijn gelukkig, die gedurig inde gelegenheid zijn om gesprekken te hebben met hen, die kundig, ervaren, wijs en Godvruchtig zijn. De koningin van Scheba achtte Salomo's dienaren gelukkig, die geduriglijk zijn wijsheid hoorden, want hij schijnt zelfs jegens hen mededeelzaam er mee geweest te zijn. En het is opmerkelijk, dat de nakomelingen van degenen, die een betrekking bekleedden aan zijn hof, de namen hunner voorouders wel vergeten wilden zien, en zich genoegzaam onderscheiden achtten, als zij de kinderen van de knechten van Salomo genoemd werden, Ezra 2:55, Nehemia 7:57.
Zij waren zo uitnemend, dat het eer genoeg was om naar hen genoemd te zijn. 6. Wij behoren ons te verheugen in en Gode dank te zeggen voor de genadegaven, de talenten en de nuttigheid van anderen. De koningin van Scheba loofde God voor de eer, die Hij op Salomo gelegd heeft, en de gunst, die Hij hem betoond heeft door hem te verhogen op de troon, vers 8.
Door Gode de lof te geven van de voorspoed van anderen, delen wij in het genot ervan, terwijl wij door de voorspoed van anderen te benijden, het genot zelfs van onze eigen voorspoed verliezen. Het geluk, beide van koning en koninkrijk, leidt zij terug naar de fontein van alle zaligheid, namelijk de gunst van God.
Het was omdat God behagen in u heeft gehad, en omdat Hij Israël beminde. Die zegeningen zijn dubbel lieflijk, waarin wij de goedertierenheid en het welbehagen van God, als onze God, kunnen smaken.
7. Het betaamt hun, die wijs en goed zijn om naar hun positie en hun vermogen edelmoedig te zijn. De koningin van Scheba was dit jegens Salomo, en Salomo jegens haar, vers 9, 12.
Beiden wisten wijsheid te waarderen, en daarom waren zij niet begerig naar elkanders geld, maar kweekten zij hun pas gesloten vriendschap voor elkaar aan door wederzijdse geschenken. Onze Heere Jezus heeft beloofd ons al ons behagen te geven: Bidt, en u zal gegeven worden. Laat ons bedenken wat wij Hem vergelden zullen, en niets te veel achten om voor Hem te doen, of te lijden, of om Zijnentwil afstand van te doen.