2 Kronieken 4:11-22
Wij hebben hier de opsomming van het koperen werk en het gouden werk van de tempel, zoals wij die tevoren gehad hebben in 1 Koningen 7:13 en verder.. waarbij wij niets meer hebben op te merken dan:
a. Dat Huram de werkman, zeer nauwkeurig was. Hij voleindigde het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo aan het huis Gods maakte, vers 11, en liet niets er van ongedaan blijven. Huram Abi Huram zijn vader wordt hij genoemd, vers 16.
Waarschijnlijk was dit een soort van bijnaam, waaronder hij bekend was. Vader Huram, want de koning van Tyrus noemde hem Huram Abi, mijn vader, in vereniging daarmee noemde Salomo hem zijn vader, daar hij een groot kunstenaar was, een vader van de werkers in koper en ijzer. Hij kweet zich wèl van zijn taak, zowel ten opzichte van vernuft als van vlijt.
b. Dat Salomo zeer mild was. Hij maakte al deze vaten in grote menigte, vers 18, velen van een soort, opdat vele handen gebruikt en aldus het werk met bekwamen spoed volbracht zou worden, of wel opdat sommigen er van weggelegd zouden worden om anderen, die versleten zullen zijn, te vervangen. Om niet heeft hij ontvangen, om niet zal hij geven. Toen hij genoeg vaten had gemaakt voor het tegenwoordige, wilde hij het overblijvende koper niet aanwenden voor zijn eigen gebruik, het is Gode gewijd, en voor Hem, in Zijn dienst, zal het gebruikt worden.