2 Kronieken 30:1-12
I. Hier is het besluit genomen, om het pascha te houden. Het jaarlijkse feest was ingesteld ter gedachtenis van de uitvoering van de kinderen Israëls uit Egypte. De herstelling van de tempeldienst had juist plaats gehad in de dagen, die voor dat feest zijn voorgeschreven de zeventienden van de eerste maand en dit bracht deze in vergetelheid geraakte plechtigheid weer in de herinnering.
"Wat zullen wij doen", zegt Hizkia, "ten opzichte van het pascha? Het is een zeer liefelijke inzetting, maar zij werd gedurende langen tijd veronachtzaamd. Hoe zullen wij dat herstellen? Voor dit jaar is de tijd voorbij, wij kunnen er ons niet terstond toe begeven, de vergadering is weinig talrijk, aan het volk is geen kennis er van gegeven, de priesters zijn niet bereid, vers 3.
Moeten wij het uitstellen tot het volgende jaar?" Waarschijnlijk waren velen er voor om het uit te stellen, maar Hizkia bedacht dat over een jaar de goede gezindheid des volks wel verkoeld kon zijn, en dat zij ook te lang van het voorrecht van de inzetting verstoken zouden zijn, en daarom, een vergunning vindende in de wet van Mozes voor personen, die in de eerste maand onrein waren, om het pascha op de veertienden dag van de tweede maand te mogen houden, Numeri 9:11, twijfelde hij niet, of die vergunning zou zich ook tot de gehele vergadering kunnen uitstrekken.
Hierop besloten zij het pascha in de tweede maand te houden. Bijzaken moeten wijken voor hetgeen het voornaamste is, en laat dus de zaak zelf niet opgegeven worden wegens een moeilijkheid of spitsvondigheid omtrent de tijd. Het is goed om het ijzer te smeden terwijl het heet is, en het volk te nemen als zij in een goede gezindheid zijn. Uitstel is gevaarlijk.
II. Er wordt een proclamatie uitgevaardigd om kennis te geven van het houden van dit pascha, en het volk er toe op te roepen.
1. Er wordt een uitnodiging gezonden aan de afgevallen stammen om hen op te wekken om deze plechtigheid te komen bijwonen. Er werden brieven geschreven aan Efraïm en Manasse om hen uit te nodigen dit pascha te Jeruzalem te komen vieren, vers 1, niet met een politiek doel om hen weer onder de heerschappij te brengen van het huis van David, maar met het Godvruchtig doel om hen terug te brengen tot de Heere, de God Israëls.
Laat hen voor hun koning nemen wie zij willen," zegt Hizkia, "zo zij slechts Hem willen aannemen voor hun God." De zaken in geschil tussen Juda en Israël, hetzij in burgerlijk of kerkelijk opzicht, zullen er geen verhindering voor zijn dat, zo het volk van Israël in oprechtheid tot de Heere, hun God, wil terugkeren, Hizkia hen even welkom zal heten op het pascha als zijn eigen onderdanen. Er worden boden gezonden door al de stammen Israëls met brieven om er bij het volk ernstig op aan te dringen deze gelegenheid te baat te nemen om weer te keren tot God, van wie zij waren afgevallen. Nu hebben wij hier:
A. De inhoud van de brieven die toen rondgezonden werden, waarin Hizkia toont hoezeer hem de eer Gods en het welzijn van het naburige rijk ter harte gaan, vurig wenst hij de voorspoed van dat rijk, ofschoon hij er cijns, oude impost noch tol van ontving terwijl het dikwijls, en nog onlangs, zeer kwellend en verdrietelijk voor zijn rijk was geweest. Dit is kwaad met goed vergelden. Merk op:
a. Wat het is, waartoe hij hen dringt, vers 8, "Geeft de Heere de hand. Eer gij in gemeenschap met Hem kunt komen, moet gij in verbond met Hem komen." "Geeft de Heere de hand," dat is: "Stemt er in toe, om Hem aan te nemen tot uw God." Een koop wordt gesloten door de hand te geven. "Sluit deze koop. Voegt u bij Hem in een eeuwig verbond. "Schrijft met uw hand dat gij de Zijnen zijt", Jesaja 44:5.
Geeft hem uw hand ten teken dat gij Hem uw hart geeft, slaat uw hand aan de ploeg, wijdt u aan Zijn dienst om voor Hem te arbeiden. Geeft u aan Hem over," dat is: "Neemt zijn voorwaarden aan, komt onder Zijn regering, weerstaat Hem niet langer. Geeft u aan Hem over om volstrekt en in alles tot Zijn dienst, tot Zijn beschikking te zijn, om te wezen en te doen, te hebben en te lijden wat Hem behaagt.
Verhardt dus nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen, laat uw verdorven en boze wil niet in opstand komen tegen de wil van God.
Zegt niet dat gij wilt doen wat u behaagt, maar doet wat Hem behaagt." Wij bespeuren in het vleselijke hart een stijfheid en hardnekkigheid en ongeschiktheid om zich aan God te onderwerpen, zich naar Hem te voegen, wij hebben het van onze vaderen, het is ons als ingeweven. Dit moet overwonnen worden, en de wil, waarin een geest van tegenspraak was, moet buigen voor de wil van God, de nek, die een ijzeren zenuw was, moet gebogen worden onder Zijn juk.
Ingevolge van dit zich overgeven aan God, dringt hij hen om tot Zijn heiligdom te komen, dat is: tot Hem te naderen in de plaats, die Hij heeft verkoren om er Zijn naam te zetten, en dient Hem in de inzettingen die Hij verordineerd heeft.
"De deuren van het heiligdom zijn nu geopend, en gij hebt vrijheid om er in te gaan, de tempeldienst is nu hersteld, en gij zijt welkom om er deel aan te nemen."
De koning zegt: Komt, de vorsten en de priesters zeggen: "Komt, die wil, kome". Dit noemt hij, vers 6, zich bekeren tot de Heere, weer te keren tot Hem, want zij hebben Hem verlaten en andere goden aangebeden, hebt dan nu berouw en bekeert u.
Zo moeten zij, die zich door genade zelf tot God hebben gewend, alles doen wat zij kunnen om ook anderen tot Hem te brengen.
b. Welke drangredenen hij gebruikt om hen hiertoe te bewegen.
Ten eerste. Gij zijt kinderen Israëls, en daarom staat gij in betrekking tot, en onder verplichting aan, de God Israëls, van wie gij zijt afgevallen."
Ten tweede. De God, tot wie gij geroepen wordt weer te keren, is de God van Abraham, Izak en Jakob, een God in verbond met uw eerste vaderen die Hem dienden en zich aan Hem overgaven hetgeen hun eer was en hun geluk." Ten derde. Uw latere vaderen, die Hem hebben verlaten en tegen Hem hebben overtreden, zijn van de verwoesting overgegeven, hun afval en hun afgoderij zijn hun verderf geweest, gelijk gij ziet, vers 7 , laat hun leed u ter waarschuwing zijn.
Ten vierde. Gijzelf zijt slechts een overblijfsel, ternauwernood ontkomen uit de hand van de koningen van Assyrië, vers 6, en daarom is het van het hoogste belang voor u om u te stellen onder de bescherming van de God uwer vaderen, opdat gij niet geheel verzwolgen wordt."
Ten vijfde. "Dit is het enige middel, om de hitte Zijns toorns van u af te keren, vers 8, die u gewis zal verteren zo gij hardnekkig blijft."
Eindelijk. "Indien gij tot God wederkeert in een weg van plicht, dan zal Hij tot u wederkeren in een weg van genade." Daarmee begint hij, vers 6,, en daarmee eindigt hij, vers 9.
In het algemeen: "Gij zult Hem genadig en barmhartig bevinden, bevinden dat Hij Zijn aangezicht niet van u afwendt, zo gij Hem zoekt."
In het bijzonder: "Gij kunt hopen dat Hij de gevangenschap zal wenden van uw broederen, die weggevoerd zijn, en hen zal wederbrengen naar hun land." Kon nu iets meer zielroerend zijn uitgedrukt? Kon er een betere zaak zijn, die beter bepleit werd?
Het onthaal, dat aan Hizkia's boden en aan zijn boodschap te beurt viel. Het blijkt niet dat Hosea, die toen koning van Israël was, zich beledigd achtte door of tegenstand bood aan de verspreiding van deze proclamatie in zijn rijk, noch dat hij zijn onderdanen verbood de uitnodiging aan te nemen, hij schijnt hun volkomen vrijheid gelaten te hebben om, zo hun dit behaagde, naar Jeruzalem op te gaan om te aanbidden, want hij deed wel dat kwaad was in de ogen des Heeren, evenwel niet als de koningen Israëls, die voor hem geweest waren, 2 Koningen 17:2.
Hij zag het verderf over zijn rijk komen, en zo iemand van zijn onderdanen door dit middel wilde beproeven om het te voorkomen, dan had hij er zijn volle toestemming voor. Maar wat het volk betreft:
a. De grote meerderheid minachtte de roepstem, luisterde er niet naar. De boden gingen van stad tot stad, deze naar de ene, die naar een andere, en smeekten het volk om toch naar Jeruzalem te komen om het pascha te houden, maar zover was het van hen om de uitnodiging aan te nemen, dat zij de boden, die haar brachten, uitscholden, zij lachten en bespotten hen, vers 10, weigerden niet slechts, maar weigerden met minachting.
Spreek hun van de God van Abraham-zij kennen Hem niet, zij hebben andere goden, die zij dienen- Baäl en Astaroth, spreek hun van het heiligdom-hun hoogten achten zij even goed, van Gods genade-zij begeren haar niet, van Gods toorn-zij vrezen hem niet. Geen wonder dat de boden des konings aldus smaadheid werd aangedaan door dit afvallig geslacht, als Gods boden, Zijn knechten, de profeten, die hun geloofsbrieven van Hem toonden, evenzo behandeld werden. De ondergang van het rijk van de tien stammen was nu nabij, het was slechts twee of drie jaar later dat de koning van Assyrië het beleg sloeg voor Samaria, dat eindigde in het gevankelijk wegvoeren van deze stammen. Even tevoren heeft niet slechts hun eigen koning hun vergund terug te keren tot Gods heiligdom, maar een koning van Juda had hen ernstig gebeden dit te doen. Indien zij deze uitnodiging algemeen hadden aangenomen, het zou hun verderf hebben kunnen voorkomen, maar hun minachting van de uitnodiging verhaastte en verzwaarde hun verderf, en liet hen zonder verontschuldiging.
b. Toch waren er enkelen, die de uitnodiging hebben aangenomen. De boodschap, die voor sommigen een reuk des doods ten dode was, was voor anderen een reuk des levens ten leven, vers 11.
In de slechtste tijden heeft God nog een overblijfsel, zo ook nu: sommigen van Aser, Manasse en Zebulon, (er wordt geen melding gemaakt van Efraïm) verootmoedigden zich en kwamen te Jeruzalem, dat is: zij betreurden hun zonden en onderwierpen zich aan God. Hoogmoed weerhoudt de mensen van zich aan God te onderwerpen, als die naar beneden is gebracht, is het werk gedaan.
2. Aan de mannen van Juda werd bevel gegeven deze plechtigheid bij te wonen, en zij hebben er allen aan gehoorzaamd, vers 12.
Zij waren enerlei van hart om het gebod des konings en van de vorsten te doen en het was de hand Gods, die hun dat enerlei hart gaf, want het is ten dage van Zijn heirkracht dat Christus' onderdanen gewillig gemaakt worden. Het is God, die beide het willen en het werken werkt. Als de mensen te eniger tijd een onverwachten ijver aan de dag leggen voor hetgeen goed is, dan moeten wij er de hand Gods in erkennen.