2 Kronieken 10:1-11
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat ook de wijsten en besten niet iedereen tevreden kunnen maken. Salomo had zijn land verrijkt en tot bloei en welvaart gebracht. Hij heeft, naar men zou denken, alles gedaan wat gedaan kon worden om hen gelukkig en welvarend te maken, en toch was hij of werkelijk onvoorzichtig door hun zware belastingen op te leggen en diensten van hen te vorderen, of er was een schijn van reden om dit van hem te denken.
Niemand is volmaakt wijs. Het is waarschijnlijk, dat toen Salomo afweek van God en zijn plicht, zijn wijsheid hem faalde en dat God hem toen aan zichzelf overliet om zo onstaatkundig te werk te gaan.
Zelfs de schatten van Salomo raakten uitgeput door zijn liefde voor vrouwen, en waarschijnlijk was het om haar en haar hoogmoed, weelde en afgoderij te onderhouden, dat hij zijn onderdanen te zwaar heeft belast.
2. Mensen van een woelzieken, ondankbaren aard zullen altijd iets aan te merken hebben op de regering, en klagen over grieven als zij er weinig reden toe hebben. Hadden zij in Salomo's tijd geen vrede? Nooit werden zij, zoals vroeger, door invallende vijanden geplunderd en beroofd, nooit beangstigd door de verschrikkingen van de krijg, nooit verplicht om hun leven in gevaar te brengen op de hoogten des velde.
Hadden zij geen overvloed? Geen spijs en geld genoeg? Wat wilden zij meer? O `fortunatos nimium, sua si bona noriet!' -O hoe gelukkig zou het geweest zijn, als zij hun geluk hadden weten te waarderen! En toch klagen zij dat Salomo hun juk hard heeft gemaakt. Indien er zijn, die aldus klagen over het juk van Christus, ten einde een voorwendsel te hebben om Zijn banden te verscheuren en Zijn touwen van zich te werpen, dan zijn wij er toch zeker van dat Hij hun nooit reden heeft gegeven voor de klacht, wat Salomo ook gedaan mocht hebben. Zijn juk is zacht en Zijn last licht. Hij heeft ons niet doen dienen met spijsoffer, en ons niet vermoeid met wierook.
3. Velen storten zich en hun belangen in het verderf door hun minderen te vertreden en tot toorn te verwekken. Rehabeam dacht dat hij, omdat hij koning was, nu ook kon heersen zoals zijn vader geheerst heeft, kon hebben wat hij wilde, zich van alles kon meester maken, alles gedaan kon krijgen. Maar hoewel hij zijns vaders kroon droeg, had hij zijns vaders hoofd niet, en hij had moeten bedenken dat hij, een geheel ander man zijnde dan zijn vader was, ook andere maatregelen moest nemen, zo wijs een man als Salomo was, kon doen wat hij wilde, maar een dwaas, als Rehabeam, moet doen wat hij kan. Het vurige paard kan met zweep en sporen geregeerd worden door hem, die de kunst verstaat er mee om te gaan maar zo een onbekwaam ruiter dit waagt, doet hij het op zijn gevaar. Rehabeams dreigen en grootspreken is hem duur te staan gekomen. Het was Jobs wijsheid, zowel als zijn deugd, dat hij het recht zijns knechts of van zijn dienstmaagd niet versmaad heeft, als zij geschil met hem hadden, Job. 31:13, maar hen geduldig heeft aangehoord, hun redenen heeft overwogen en hun een zacht antwoord heeft gegeven. Eenzelfde vriendelijke gezindheid jegens hen, die in onderworpen toestand zijn, en een begeerte om hun het leven licht te maken, zal de troost en de lof zijn van allen, die met gezag zijn bekleed in de kerk, in de staat, en in het gezin. 4. Gematigde adviezen zijn gewoonlijk de wijste en de beste. Zachtmoedigheid zal uitwerken wat door geweld niet verkregen kan worden. De meeste mensen willen gaarne met zachtheid toegesproken worden. Rehabeams oude, ervaren raadslieden wezen hem op die methode vers 7. "Wees goedertieren en goedwillig jegens dit volk en spreek goede woorden tot hen, en gij kunt voor altijd staat op hen maken." Goede woorden kosten niets dan een weinigje zelfverloochening, en toch verkrijgen zij grote, kostelijke zaken.
5. God vervult dikwijls de raad van Zijn eigen wijsheid door mensen te verdwazen en hen over te geven aan de raad hunner eigen dwaasheid. Er is niets anders nodig om de mensen te verderven, dan hen over te laten aan henzelf, aan hun hoogmoed en hun hartstochten.