8. Zie dan, uitverkoren vrouw met uw kinderen en ook u, overige leden van de gemeente, toe (
Mattheus 7:15) voor uzelf, dat wij, dienaren van het Evangelie, niet verliezen hetgeen wij aan u, in uw bekering tot Christus en uw verdere stichting op de weg van de zaligheid gearbeid hebben, maar dat wij een en volle loon mogen ontvangen, doordat u getrouw blijft tegenover alle verleidingen tot afval en zo het einde uws geloof mag verkrijgen, namelijk de zaligheid van uw zielen (
1 Petrus 1:9).
De dwaalleraars verderven niet alleen de christologische waarheid, maar tevens de arbeid van de kerk en de zaligheid van de bijzondere leden van de gemeente.
Nee, wij hebben allen van nature een anti-christelijke gezindheid en de antichrist in ons. Die deze niet kent en uitdrijft, zal de uitwendige nooit kennen, noch vermijden.
Het getrouwe woord, dat zo vaak uit de mond van de Heere is gegaan: "Zie toe voor uzelf" (Markus 13:9), blijft nog steeds voor ons van nut. Blindelings en ongedacht komt men in verleiding en in verderf. De weg van het leven gaat opwaarts, om verstandig te maken (Spreuken 15:14); het komt er op aan op deze voorzichtig te wandelen. Apostel Johannes en zijn mede-ambtgenoten hadden gearbeid. Zij hadden, ter plaatse alwaar Kuria woonachtig was, de zuivere Evangelieleer ijverig gepredikt en aldaar een gemeente geplant. Vooral hadden zij, langs die weg, bij deze vrouw en haar kinderen gearbeid, met dat gezegend gevolg, dat zij tot het geloof in Christus bewogen waren. Dit werk van de Evangeliedienaren wordt, met het hoogste recht, een arbeid genoemd, omdat er een gedurige inspanning van ziels- en lichaamskrachten, naarstigheid in waken en bidden en het overwinnen van allerlei tegenstand toe vereist werd. De apostel wenste daarom, dat hij en zijn ambtgenoten, in de bediening van het Evangelie, niet verliezen mochten hetgeen zij gearbeid hadden en dat zulks, door de waakzaamheid van Kuria en de heren, mocht verhoed worden. De dienaars van het Evangelie verliezen hetgeen zij gearbeid hebben, niet alleen wanneer hun pogingen bij de grootste hoop vruchteloos zijn, maar voornamelijk wanneer zij, bij wie zij hoopten iets goeds te hebben uitgewerkt, weer terugkeren in de wereld, welker begeerlijkheden zij ontvlucht schenen te hebben; of wanneer de belijders van de waarheid van de zuivere leer van het Evangelie afwijken en ware Christenen, door de stroom van de verleiding, weggesleept, zich aan de lieden van de wereld gelijk beginnen te stellen. Eindelijk verliezen de dienaars van het Evangelie hetgeen zij gearbeid hebben, met het oog op een hele gemeente, wanneer hun pogingen om ongodsdienstigheid en losbandige zeden te weren, weinig of geen vrucht hebben; alsmede wanneer een gemeente, door van buiten inkomend bederf, in verval geraakt. Wanneer nu Kuria met de haren niet getrouw was in het waken en getrouw toezien tegen de verleiding, had de apostel zo'n verlies van hetgeen hij gearbeid had in haar huis, dan zouden zij ook snel veld winnen in de gemeente; dan zouden de onvaste zielen verleid en achteloze lieden door het kwade voorbeeld van Kuria gestijfd worden. Maar bleef deze vrouw standvastig in het aankleven van de zuivere leer van de waarheid, dan zouden de verleiders uit de gemeente geweerd worden, of immers niet veel kwaad kunnen uitwerken. Maar niet alleen moest deze voortreffelijke Christin toezien dat de arbeid van de apostelen niet verloren werd, maar ook zorgen, zoveel in haar was, dat de Evangeliedienaars een volle loon ontvangen mochten. De Heere zal de arbeid van de Evangeliedienaren met een genadeloon bekronen, die naarmate van hun ijver en getrouwheid, meer of min overvloedig zal zijn (Vgl. Lukas 19:16-19). Deze loon wordt hun geschonken. In dit leven is hun loon, dat zij, als werktuigen in van de hand van de Heere, de eer hebben om onsterfelijke zielen voor de hemel te bereiden en het Koninkrijk van Christus uit te breiden; dat zij bij de gemeenten als gezanten van God en Christus, geacht en bemind worden (verg. Galaten 4:15) en dat zij, over het een en ander een inwendige vreugde genieten, die hen in alle zwarigheden ondersteunt en bemoedigt. Maar na dat leven zal hun loon vervuld worden, terwijl de gelovigen in de dag van Christus' luisterrijke toekomst hun blijdschap en kroon wezen zullen (verg. 1 Thessalonicenzen. 2:19) en zij met een uitstekende maat van heerlijkheid bekroond zullen worden (Vgl. Daniël 12:10). Onze apostel en zijn medearbeiders in de dienst van het Evangelie verwachten, dat zij een volle loon een overvloedige mate van heerlijkheid in de dag van het oordeel ontvangen zouden, omdat zij ijverig, getrouw en overvloedig gearbeid hadden. Bijzonder was Johannes grijs geworden in de dienst van de Heere en hij arbeidde nog met blakende ijver. Deze hoop moest ook door het waakzaam toezicht van Kuria en de haren versterkt worden. Trouwens wanneer deze enigszins voet gaven aan de verleiders, dan zouden onvaste zielen, op welker aanwinning Johannes nog hoopte, groot gevaar lopen verleid te worden. Dit zou de wijze apostel bedroefd en blootgesteld hebben aan de smadelijke verachting van de vijanden van de waarheid; ook zou het getal van de gelovigen, die in de grote dag zijn blijdschap en kroon wezen zullen, niet zo groot zijn, als hij gehoopt had.