1 Timotheus 6:1-5
Hier wordt de plicht der dienstknechten behandeld. De apostel had tevoren gesproken over kerkelijke betrekkingen, hier gaat hij over tot huiselijke verhoudingen. Er wordt gesproken van dienstknechten, die onder het juk zijn, dat ziet beiden op onderwerping en op arbeid, zij zijn onder het juk om te werken, en niet om ledig te zijn. Indien het Christendom dienstknechten onder het juk vindt, laat het hen daaronder blijven, want het Evangelie verandert niet de verplichtingen, die op iemand rusten, hetzij door de wet der natuur of door wederzijdse overeenkomst. Zij moeten hun meesters eerbiedigen (hun heren alle eer waardig achten) omdat zij hun meesters zijn, alle eer, opmerkzaamheid, gedienstigheid, welke de meesters met recht van hun dienstknechten kunnen verwachten. Zij mochten niet doen alsof ze niet in die verhouding stonden, maar als hun meesters moesten zij hen alle eer waardig achten die hun toekwam, opdat de naam van God en de leer niet gelasterd worde. Indien dienstknechten, die het Christendom omhelsden, onbeschoft en hun meesters ongehoorzaam werden, zou de leer van Christus om hunnentwil er op aangezien worden alsof die de mensen slechter maakte dan ze voor de komst van het Evangelie geweest waren. Zo de belijders van den godsdienst zich misdragen, zijn de naam van God en Zijne leer in gevaar van gelasterd te worden door hen, die gelegenheid zoeken om kwaad te spreken van den heerlijken naam, die over ons aangeroepen is. En dat is een goede reden waarom wij allen ons wèl gedragen moeten, opdat wij mogen voorkomen de gelegenheid, die menigeen zoekt en gereed staat om te gebruiken, van om onzentwil van den godsdienst kwaad te spreken. Maar onderstelt dat de meester een Christen en gelovige was evenals de dienstknecht, zou dit hem dan verontschuldigen, omdat in Christus geen dienstknecht of vrije is? In genen dele, want Jezus Christus is niet gekomen om de maatschappelijke banden los te maken, maar om die te versterken. Die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten omdat zij broeders zijn, want die broederschap betreft alleen de geestelijke voorrechten en geen uitwendige waardigheid of voordelen. Zij misverstaan en misbruiken hun godsdienst, die er een voorwendsel van maken om hun plichten in hun betrekkingen te verwaarlozen. Zij moeten hen te meer dienen omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mede deelachtig zijn. Zij moeten zich te meer verplicht achten om hen te dienen, omdat het geloof en de liefde hen als Christenen verbindt hun goed te doen, en dat is alles waaruit hun dienst bestaat. Het is een grote aanmoediging voor ons in het verrichten van onzen plicht jegens onze betrekkingen, wanneer wij mogen geloven dat zij ook gelovig en geliefd zijn, en die weldaad mede deelachtig, de weldaad des Christendoms. Daarenboven, gelovige heren en dienstknechten zijn broederen en beiden deelgenoten aan die weldaad, want in Christus is geen dienstknecht en vrije, zij zijn allen een in Christus Jezus, Galaten 3:28. Timotheus wordt vermaand: Leer en vermaan deze dingen. Dienaren moeten niet slechts in het algemeen de plichten der mensen prediken, maar ook in de bijzonderheden der betrekkingen afdalen.
II. Paulus waarschuwt Timotheus zich te onttrekken aan degenen, die de leer van Christus bederven en haar maken tot een onderwerp van strijd, twistgesprekken en tegenspraak. Indien iemand een andere leer brengt, vers 3-5, niet praktisch predikt, niet predikt en opwekt tot bevordering van ware godzaligheid, -indien hij niet toestemt in de gezonde woorden, de woorden die de gezondheid der ziel ten doel hebben, -indien hij daarmee niet overeenkomt, ofschoon ze de woorden van onzen Heere Jezus Christus zijn. Wij mogen met geen woorden overeenkomen dan met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, maar aan deze moeten wij dan ook onze oprechte instemming geven, zij zijn de leer, die naar de godzaligheid is. De leer van onzen Heere Jezus Christus is een leer naar de godzaligheid, zij heeft de rechtstreekse bedoeling om de mensen goddelijk te maken. Maar hij, die niet overeenkomt met de woorden van Christus, is opgeblazen, vers 4, en twistziek en onwetend, en doet daardoor aan de gemeente veel schade. Gewoonlijk zijn zij het hoogmoedigst, die het minste weten, want met al hun kennis kennen zij zich zelven niet. Die raast omtrent twistvragen en woordenstrijd. Zij, die afvallen van de duidelijke, praktische leerstellingen van het Christendom, begeven zich tot tegenspraak, die het leven en de macht van den godsdienst verteren, zij bedenken twistvragen en woordenstrijd, welke de gemeente grotelijks benadelen, en nijd, twist, lasteringen en kwade overdenkingen veroorzaken. Wanneer de mensen niet tevreden zijn met de woorden van den Heere Jezus Christus en met de leer, die naar de godzaligheid is, dan zullen zij zelf stellingen bedenken en voorstellen, en dat in hun eigen woorden, die de menselijke wijsheid leert, en niet in woorden, die de Heilige Geest leert, 1 Corinthiërs 2:13, en daardoor het zaad van allerlei zonden in de gemeente strooien Daaruit komen voort verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, vers 5, twistgesprekken vol spitsvondigheid en zonder enige degelijkheid. Mensen, die een verdorven verstand hebben, zijn van de waarheid beroofd. De oorzaak, waardoor het verstand van de mensen verdorven wordt, is dat zij niet blijven bij de waarheid, zoals die is in Jezus. Zij menen dat de godzaligheid een gewin is, zij maken van den godsdienst een zaak voor hun eigen belang. Timotheus wordt gewaarschuwd zich aan dezulken te onttrekken. Wij merken hier op:
1. De woorden van onzen Heere Jezus Christus zijn gezonde woorden, zij zijn de meest geschikte om de wonden der gemeente te voorkomen of te genezen, zowel als om het gewonde geweten te genezen, want Christus heeft een tong der geleerden, om ter rechter tijd een woord tot de vermoeiden te spreken, Jesaja 50:4. De woorden van Christus zijn de geschiktste om scheuringen in de gemeente te voorkomen, want niemand, die het geloof in Hem belijdt, zal de gepastheid en het gezag der woorden van zijn Heere en Leraar betwisten, en het is nooit die gemeente goed gegaan, die voor de woorden van mensen een even groot, ja een groter recht eiste.
2. Hij, die anders leert en niet overeenkomt met deze gezonde woorden, is opgeblazen en weet niets, want hoogmoed en onwetendheid gaan hand aan hand.
3. Paulus zet een brandmerk op hen, die niet met de woorden van onzen Heere Jezus Christus overeenkomen, en met de leer die naar de godzaligheid is. Zij zijn opgeblazen en weten niets, want andere gezonde woorden zijn hun onbekend.
4. Wij zien hier de treurige uitwerking van het peinzen over twistvragen en woordenstrijd, daaruit komt voort: nijd, twist, laster en kwade overdenking en verkeerde krakeling. Wanneer de mensen de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus verlaten, stemmen zij nooit met anderer woorden in. Zomin met die van eigen of van anderer uitvinding, maar zij zullen er onophoudelijk over twisten en krakelen. En dat zal nijd voortbrengen, wanneer zij zien dat de woorden van anderen verkozen worden boven die, welke zij goedkeuren, en daaruit komt voort jaloezie en verdenking van elkaar, hetgeen hier genoemd wordt kwade nadenkingen, en krakelingen.
5. Zulke mensen, die zich begeven tot twistvragen, hebben een verdorven verstand en zijn van de waarheid beroofd, voornamelijk zij, die van de godzaligheid een gewin maken, die winst is al hun godzaligheid. Ook de apostel acht de godzaligheid een groot gewin. 6. Goede Christenen en dienaren moeten zich aan dezulken onttrekken. Ga uit van hen, mijn volk, en scheid u af, zegt de Heere. Wijk af van dezulken.