Titus 2:15
De apostel besluit dit hoofdstuk, gelijk hij het begon, met een samenvatting voor Titus van al het gezegde, waarin wij vinden het onderwerp en de wijze van het onderwijs des dienaars, en een bijzondere vermaning aan Titus voor hem zelven.
I. Het onderwerp van des dienaars onderwijs.
Deze dingen, namelijk die hier genoemd zijn, geen Joodse fabelen of overleveringen, maar de waarheden en plichten van het Evangelie, van zonden te vermijden, en matig, rechtvaardig en godzalig te leven in de tegenwoordige wereld. Dienaren moeten in hun prediking zich dicht aan het Woord van God houden. Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods, 1 Petrus 4:11, en niet de verzinselen en uitvindingen van zijn eigen brein.
II. De wijze waarop: Spreek dit, en vermaan en bestraf met allen ernst. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, 2 Timotheus 3:16, dat is: om de gezonde leer te onderwijzen, te overtuigen van zonden, terug te brengen van dwaling, te verbeteren van leven, voort te helpen in hetgeen recht en goed is, opdat de mens Gods (de Christen en de dienaar) volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust, opdat die door hem zelven verricht of aan anderen onderricht worden. Hier vinden wij wat tot al die plichten zal bekwamen, opdat ze recht beoefend worden mogen.
Spreek deze dingen, of leer ze, vermijd niet te verkondigen den gansen raad Gods. De grote en noodzakelijke waarheden en plichten van het Evangelie voornamelijk, spreek die en vermaan, parakalei, dring daar met den meesten ernst op aan. Dienaren mogen niet koud en levenloos zijn in het overgeven van de hemelse leer en voorschriften, alsof die onverschillige en onbeduidende dingen waren, maar zij moeten ze aandringen met den ernst, die bij hun inhoud en belangrijkheid past, zij moeten de mensen oproepen om er op te letten en ze te bedenken, en niet alleen hoorders te zijn, die zich zelven bedriegen, maar daders des Woords, opdat ze daarin zalig mogen zijn. En bestraf, overtuig en bestraf de tegensprekers en hen, die de waarheid verwaarlozen of niet naar hun plicht ontvangen, hen die haar niet aanhoren met zulk een gelovig en gehoorzaam hart als zij behoorden te doen, maar in plaats daarvan misschien in verkeerde praktijken leven, zich koppig en ongehoorzaam aanstellen en alle goede werken afkeuren.
Bestraf met allen ernst, als komende in den naam van God en gewapend met Zijn bedreigingen en tucht, waardoor hun doen openbaar worde tot overtuiging. Dienaren zijn getuigen in de poort.
III. Hier is een bepaalde aanwijzing voor Titus, met betrekking tot hem zelven. Dat niemand u verachte. Geef daartoe geen aanleiding, en verdraag het niet zonder bestraffing, overwegende dat hij, die veracht, veracht geen mens maar God. Het kan ook bedoelen: Spreek en vermaan deze dingen, dring er bij hen allen op aan, opdat zij gevoelen dat ze hun aangaan, en bestraf de zonde met moed en getrouwheid, zie daarbij nauwkeurig toe op uzelven en uw eigen gedrag, dan zal niemand u verachten. De beste wijze voor dienaren om zich voor verachting te vrijwaren is zich dicht bij de leer van Christus te houden en Zijn voorbeeld te volgen, goed te prediken en te leven, en met voorzichtigheid en moed hun plicht te doen, dat zal het best hun goeden naam en hun rust bewaren. Wellicht wordt hier een waarschuwing voor de gemeente bedoeld, dat Titus, ofschoon jong en slechts een plaatsvervanger van den apostel, niet door hen veracht mocht worden, maar beschouwd en geëerbiedigd moest worden als een getrouw dienaar van Christus, en aangemoedigd en geholpen in zijn werk. Erkent degenen, die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen, en acht hen zeer veel om huns werks wil, 1 Thessalonicenzen 5:12, 13. Let op hun onderricht, eerbiedig hun personen, ondersteun hen in hun bediening, en bevorder zoveel in u is, hun pogingen voor de ere Gods en de zaligheid der zielen.