1 Corinthiërs 9:15-18
Hier zegt hij hun, dat hij desniettegenstaande van zijn voorrecht afstand gedaan heeft en noemt zijn redenen daarvoor op.
I. Hij zegt hun dat hij in vroeger tijd verwaarloosd heeft zijn recht te handhaven. Ik heb geen van deze dingen gebruikt, vers 15. Hij at noch dronk op hun kosten, hij leidde geen vrouw met zich om, en ontzag geen arbeid om zijn eigen onderhoud te betalen. Van anderen had hij onderstand aangenomen, maar niet van hen, en dat om bepaalde redenen. Ook schreef hij dit niet om nu zijn rechten te laten gelden. Ofschoon hij thans zijn aanspraak handhaafde, liet hij haar toch niet gelden, maar verloochende zich zelven om hunnentwil en ter wille van het Evangelie.
II. Hier wordt ons de reden aangetoond voor dit betoon van zelfverloochening. Hij wilde niet dat zijn roem verijdeld werd. Het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken, vers 15. Deze roem had niets gemeen met pocherij, zelfverheffing of jacht op toejuiching, maar had een hogen graad van voldoening en troost. Het was hem een buitengewoon genoegen het Evangelie kosteloos te prediken, en hij was vast besloten onder hen dezen roem niet te verliezen. Zijne vorderingen in de uitbreiding van het Evangelie waren zijn roem, en dezen achtte hij boven zijn rechten, ja zelfs boven zijn leven. Beter ware het hem te sterven, dan dat deze zijn roem zou verijdeld worden, dan dat naar waarheid kon gezegd worden dat hij zijn loon boven zijn werk schatte. Neen, hij was bereid zich zelven ter wille van het Evangelie te verloochenen. Het is de roem van een dienaar het welslagen van zijn dienst hoger te achten dan zijne belangen, en zich zelven te verloochenen om Christus te dienen en zielen te redden. Dusdoende verricht hij wel niet meer dan hij verplicht is, hij handelt altijd nog binnen de grenzen der liefde. Maar hij handelt volgens waarlijk- edele beginselen, hij brengt zodoende Gode meer eer, en die Hem eren zal Hij eren. Dit zal God goedkeuren en belonen, wat iemand zelf mag waarderen en tot troost herdenken, ofschoon er op zich zelve geen verdienste voor God in is.
III. Hij toont aan dat deze zelfverloochening in zich zelve eervoller was en hem meer tevredenheid en troost verschafte, dan zijne prediking deed. Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd. En wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig, vers 16. Het is mijn lust, mijn werk, het is het werk waartoe ik tot apostel aangesteld ben, Hoofdstuk 1:17. Het is een plicht, waartoe ik bepaald gehouden ben. Het is in geen enkel opzicht een zaak, die me vrijstaat. De nood is mij opgelegd. Ik zou vals en ontrouw aan mijn roeping zijn, ik zou een duidelijk en opzettelijk bevel overtreden, en wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig. Zij, die afgezonderd zijn tot den dienst, hebben bevel het Evangelie te verkondigen. Wee hunner zo ze het niet doen! Niemand is daarvan uitgezonderd. Maar tot geen hunner komt het bevel het Evangelie om niet te prediken, het te verkondigen en daarin niet zijn levensonderhoud te vinden. Er is niet gezegd: Wee hunner indien zij het Evangelie niet prediken en niet tegelijkertijd voor hun onderhoud zorgen. Op dit punt hebben zij vrijheid. Het kan in sommige tijden en onder bepaalde omstandigheden zijn plicht zijn te prediken, zonder daarvoor levensonderhoud te ontvangen, maar in `t algemeen heeft hij er recht op, en mag het verwachten van hen, onder wie hij arbeidt. Wanneer hij van dit recht afstand doet ter wille van het Evangelie en van de zielen der mensen, doet hij dat niet op hoog bevel, neen, uit zelfverloochening geeft hij zijn voorrecht en recht prijs, hij doet meer dan waartoe zijn opdracht en dienst over het algemeen hem verplichten. Wee hem zo hij het Evangelie niet predikt, maar het kan in sommige gevallen zijn plicht zijn de beloning daarvoor te vorderen, en wanneer hij daarvan afziet staat hij af van zijn rechten, ofschoon iemand daartoe in sommige tijden geroepen worden kan door zijn plicht van liefde tot God en de mensen. Men heeft een hoog standpunt in den godsdienst bereikt wanneer men afziet van eigen rechten ten goede van anderen, dit zal aanspraak geven op buitengewone beloning door God. Want:
IV. De apostel deelt ons mede dat het vervullen van onzen plicht met een willig hart genadige beloning bij God vindt. Indien ik dat gewillig doe, dat is zowel het Evangelie prediken als afzien van levensonderhoud daardoor: zo heb ik loon. Inderdaad, alleen gewillige dienst wordt door God beloond. Het is niet het bloot verrichten van onzen plicht, maar dat van harte (dat is gewillig en gaarne) te doen, wat God beloofd heeft te zullen belonen. Houd uw hart buiten uw plichten, en God zal ze verafschuwen, ze zijn dan slechts geraamten van godsdienst, zonder leven en geest. Zij, die wensen Gode aangenaam te zijn, moeten gewillig prediken. Zij moeten hun genoegen vinden in hun werk, en het niet als een last beschouwen. En zij die, ter ere Gods en tot welzijn der zielen, hun recht op beloning opgeven moeten hun werk gewillig verrichten, zullen ze verwachten dat het aangenomen en beloond wordt. Maar hetzij de plicht van den dienst gewillig of met tegenzin vervuld wordt, hetzij het hart er bij is of er zich aan onttrekt, alle dienaren hebben een last en opdracht van God, waarvan zij rekenschap zullen geven. Dienaren hebben de uitdeling van het Evangelie, huisbezorging, Lukas 14:2, rentmeesterschap is hun toevertrouwd. Den gewilligen dienaren van Christus zal hun beloning niet ontgaan, en dat wel geëvenredigd aan hun getrouwheid, ijver en werkzaamheid, en al Zijn luie en onwillige dienstknechten zullen ter verantwoording geroepen worden. Het aannemen van Zijn naam en het uitoefenen van Zijn werk maakt iemand rekenplichtig voor Zijn rechtbank. En hoe treurig zal de verantwoording van luie dienstknechten zijn!
V. De apostel vat zijn bewijsvoering samen door hun voor te houden de bemoedigende hoop op grote beloning voor zijn merkwaardige zelfverloochening: Wat loon heb ik dan? vers 18. Welke beloning mag ik daarvoor van God verwachten? Dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijne macht in het Evangelie niet te misbruiken. Of: dat ik niet zo aanspraak maak op mijn recht, dat daardoor het grote doel van mijn dienst vernietigd wordt, maar er daarom afstand van doe. Het is misbruik van macht, wanneer men haar aanwendt tegen de duidelijke bedoeling in waartoe ze gegeven is. En de apostel wilde nooit zijne macht gebruiken, of de voorrechten aan zijn dienst verbonden, aanwenden zo dat ze het doel zouden verijdelen, maar wenste gewillig en met liefde zich zelven te verloochenen voor de eer van Christus en het welzijn der zielen. De dienaren, die zijn voorbeeld volgen, mogen op goede gronden op volle beloning rekenen.