1 Corinthiërs 8:4-6
In deze afdeling toont hij de ijdelheid der afgoden aan. Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, of: er is geen afgod in de wereld, of: een afgod kan niets doen in de wereld, want de zinsbouw is in het oorspronkelijke dubbelzinnig. De bedoeling in `t algemeen is: de heidense afgoden bezitten geen goddelijkheid, en daarom worden ze in het Oude Testament gewoonlijk genoemd, leugen, ijdelheid, of liegende ijdelheid. Zij zijn enkel ingebeelde godheden, en velen van hen niet meer dan ingebeelde wezens, zij hebben geen macht om Gods schepselen te benadelen, en daarom moet geen kind of dienstknecht Gods hun ter ere eten. Alle schepsel Gods is goed, met dankzegging genomen zijnde, 1 Timotheus 4:4. Het staat niet in de macht der heidense ijdelheden hun natuur te veranderen. Er is geen ander God dan een. Heidense afgoden zijn geen goden, mogen niet als zodanig aangenomen of geëerbiedigd worden, want er is geen ander God dan een. De eenheid der Godheid is het voorname beginsel van het Christendom en van allen waren godsdienst. De goden der heidenen kunnen niets zijn in de wereld, kunnen geen goddelijkheid hebben, want er is geen ander God dan een. Er worden wel anderen goden genoemd. Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, gelijk er vele goden en vele heren zijn, zij worden valselijk goden genoemd. De heidenen hebben er velen, sommigen in den hemel, anderen op de aarde, hemelse godheden, die onder hen den hoogsten rang en roem bezaten, en anderen op aarde, mensen die men vergood had, die tot middelaars bij die hoogste goden dienden, en door hen gemachtigd waren de aardse zaken te regeren. Deze worden in de Schrift gewoonlijk Baälim genoemd. Zij hadden godheden van hoger en lager rang, zelfs vele goden, vele heren, doch allen slechts zogenoemde godheden en middelaars, die het niet in waarheid waren. Want:
1. Wij hebben maar enen God, zegt de apostel, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij in of tot Hem. Ons Christenen is beter geleerd, wij weten dat er slechts een God is, de fontein van alle leven, den Schepper aller dingen, den Maker, Onderhouder en Regeerder van het heelal, uit wie en tot wie alle dingen zijn. Niet een god die dit deel, en een ander die een ander deel, en weer een ander die de mensen regeert en bestuurt. Een God heeft alles gemaakt en daarom gaat Zijn macht over alles. Alle dingen zijn uit Hem, wij-en alle andere dingen -zijn tot Hem. Hij wordt hier de Vader genoemd, niet in tegenstelling met de andere personen in de Heilige Drie-eenheid, en om hen van de Godheid uit te sluiten, maar in tegenstelling met alle schepselen, die door God gemaakt zijn, en wier schepping in andere delen van de Schrift aan ieder hunner toegekend wordt, en niet aan den Vader alleen. God de Vader, als eerste Persoon in de Godheid, van wie de beide anderen uitgaan, staat hier voor de Godheid, welke de drie Personen in zich bevat. De naam God wordt soms in de Schrift gegeven aan den Vader, ten aanzien van Zijne verhevenheid, omdat Hij is fons et principium Deitatis (zoals Calvijn opmerkt) de fontein der Godheid in de beide anderen, die zij door Zijne mededeling hebben. Zodat er is slechts een God, de Vader, maar toch is ook de Zoon God en geen andere God, zijnde de Vader met den Zoon en den Heiligen Geest de ene God, maar niet zonder die beiden, zodat zij van de Godheid zouden uitgesloten zijn.
2. Daar is slechts een Heere, onze Middelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus Niet verscheidene middelaars, zoals de heidenen zich voorstelden, maar slechts een, door welken alle dingen zijn en wij door Hem, wie wij al onze hoop en al ons geluk verschuldigd zijn, de mens Christus Jezus, maar een mens in persoonlijke vereniging met het Goddelijk Woord, de Zoon Gods. Dezen mens heeft God gemaakt tot onzen Heere en Christus, Handelingen 2:36. Jezus Christus, in Zijn menselijke natuur en middelaarschap, heeft een Hem opgedragen macht, Hem is een naam gegeven, hoewel een naam boven allen naam, opdat in Zijn naam alle knie zich zou buigen en alle tong zou belijden dat Hij de Heere is. En daarom is Hij de enige Heere en Middelaar, dien de Christenen erkennen, de enige Persoon die bij God voor mensen tussen treedt, die onder God de wereld regeert, en die de mensen tot God brengt. Alle andere van deze soort onder de heidenen zijn bloot hersenschimmen. Het is het grote voorrecht van ons, Christenen, dat wij den waren God kennen en den waren Middelaar Gods en der mensen, den enigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, Johannes 17:3.