36. Maar als iemand acht dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, met een dochter, die zich nog in maagdelijke staat bevindt, als hij ze verder ongehuwd liet blijven, omdat zij makkelijk een prooi van de verleiding zou kunnen worden, als zij over de jeugdige tijd gaat en het zo moet geschieden, als leeftijd en aard van de dochter haar huwen tot een noodzakelijkheid maakt, die doe wat hij wil. Hij handelt naar zijn overtuiging, hij zondigt niet door haar de man te geven; dat zij trouwen (
Vers 9).
De apostel spreekt hier in het bijzonder over de maagden (Vers 25). De overgang is als toevallig gemaakt naar aanleiding van "hetgeen welvoegt" in het vorige vers, waar tegenover nu gesteld wordt "ongevoegelijk handelt. "
Er wordt echter niet onmiddellijk gesproken van de maagden zelf, maar van vaders, die over dochters te beschikken hebben. Volgens de regelen van de oudheid had de wil van de vader te bepalen, wensen van de dochters konden alleen in aanmerking komen, als de vader die deelde.
Intussen stelt Paulus niet alleen naar de manier van het Oosten, maar naar de regeling van God zelf de vaderlijke macht, in het bijzonder wat het huwelijk van de kinderen aangaat, zeer hoog. Hij verheft die echter niet tot absolute macht, omdat hij, zoals de vele bepalingen in dit vers te kennen geven, de vaderlijke beslissing voorstelt als een goed overwogene een die door liefde, door letten op het welzijn en de aard van het kind, geleid wordt.
De macht van de vader en het bepalen van het lot van de kinderen veronderstelt, dat zij aan deze ook vooraf de waarheid van God hebben bekend gemaakt en in het naderen tot God als priesters hen hebben gediend. 37. Maar die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbend, maar macht heeft over zijn eigen wil en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren zoals zij is, namelijk ongehuwd, die doet goed.
De vastheid en volharding, die Paulus prijst, is geen eigenzinnigheid en heerszucht. Alleen dan kan een vader op Christelijke manier in zijn hart vaststaan bij hetgeen hij over zijn dochter heeft besloten, als hij niet tot het tegenovergestelde gedwongen wordt, als hij niet in aanmerking hoeft te nemen wat tot het huwelijk dringt en zijn vrije wil heeft, d. i. zonder aan de liefde te kort te doen, Zijn eigen wil kan volgen. Zo erkent de apostel zeker de vaderlijke macht en dat kinderen tegen de wil van hun ouders huwen is tegen de gehoorzaamheid, die een kind verschuldigd is. Maar weer houdt hij ook de vaders voor dat zij daarin een beperking van hun wil moeten erkennen, als neiging en wens van de kinderen anders zijn dan de gedachten van de vader. Een vader mag zijn dochter weigeren deze of gene man te huwen, als hij van de dwaasheid en schadelijkheid van het verlangen overtuigd is, maar van haar te eisen dat zij zich geheel van de echt onthoudt, als zij die begeert, is misbruik van de vaderlijke macht.