9. Maar wacht u, gij dochter Zions, dat gij met het oog op die latere heerlijkheid na uwe bekering de u gedreigde gerichten Gods lichtvaardig gering schat, en misschien meent, dat zij niet veel te betekenen zullen hebben. Die zullen zo zeker komen, dat ik ze in den geest reeds als tegenwoordig zie. Nu, waarom zoudt gij zo groot geschrei maken? 1) Is er geen a), Koning onder u?is uw koningschap, waaraan de koning zo grote belofte voor u heeft verbonden, dat het voor u het zichtbare onderpand der genade en tegenwoordigheid Gods onder u was, van u weggenomen? Is uw Raadgever, uw koning" de met den geest des raads en der wijsheid des Heeren voor u gezalfde, vergaan, dat u smart, als van ene barende vrouw heeft aangegrepen. 2)
a.) Jeremia 8:19.
1) Het antwoord is duidelijk: ja wel, de koning is gevangen, het koningschap van Zion is vernietigd enz. Ook hier staat den Profeet ene barende vrouw voor de aandacht. Hij hoort het geschrei, het schreeuwen van het volk over het verlies van koning en raadgever, voor Israël dubbel smartelijk, omdat de koning theokratisch koning was en drager van de heilsbeloften Gods. De Profeet wil hen echter van den zichtbaren koning afbrengen tot den Onzichtbaren, tot den Goddelijken Raadgever en vraagt daarom: Is er geen Koning onder u, Is uw Raadgever vergaan? om aan het ware Israël te betuigen, dat aan het volk Gods in zijn verdrukkingen niets ontbreekt, hetwelk het vervolgens tot vertroosting zou kunnen zijn, dewijl het God heeft tot zijn algenoegzame toevlucht en sterkte.
1) Gelijk de Heere het menigmaal nodig ziet om de ellende van een volk niet weg te nemen, maar om dezelve te doen aanhouden, en om ze te vermeerderen, alzo moest ook het volk Gods in zulke gevallen zich met dapperheid en resolute wapens tegen zulk lotgevallen liever dan dat zij door moedeloosheid hun eigen kruis zwaar maken zou, hetwelk alles is wat zij doen kennen.