Judas 16-25
I. De apostel gaat voort met het karakter van deze boze mensen en verleiders te omschrijven. Zij zijn murmureerders, klagers over hunnen staat enz., vers 16. Een murmurerende, klagende gemoedsgesteldheid, waaraan toegegeven en die openbaar gemaakt wordt, is voor de mensen een zeer slecht teken, dezulken zijn eindelijk zeer zwak en voor het grootste deel zeer slecht. Zij murmureren tegen God en Zijne voorzienigheid, tegen de mensen en hun gedrag, zij zijn vertoornd over alles wat er voorvalt, en nooit tevreden met hun eigen staat en toestand in de wereld, want zij achten die voor hen nooit goed genoeg. Dezulken wandelen naar hun eigen begeerlijkheden, hun wil, hun smaak, hun wet, hun inbeelding, zij hebben geen regel of wet dan zich zelven. Die naar hun eigen begeerlijkheden wandelen, staan er het meest aan bloot om door ongebreidelde hartstochten overwonnen te worden.
II. Hij gaat over tot waarschuwing en vermaning van zijn lezers, vers 17-23.
1. Hij roept hen op zich te herinneren hoe zij vroeger reeds gewaarschuwd zijn. Maar, geliefden, gedenkt enz., vers 17. Gedenkt, draagt zorg dat gij het niet vreemd vindt, want dan zoudt ge er u aan kunnen stoten en er over struikelen en uw geloof zou er door kunnen schipbreuk lijden, gedenkt dat zulke verleiders tevoren beschreven zijn en dat er gewaarschuwd is dat zij zouden opstaan, -en wel zeer spoedig-in de Christelijke gemeente. Gij weet dat u dat alles voorzegd is van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus, vers 17, en dus is de vervulling van deze voorzegging een bevestiging van uw geloof, in plaats van een reden om in dat geloof geschokt te worden.
A. Zij, die overreden willen, moeten duidelijk doen uitkomen dat zij hen, die zij overreden willen, oprecht liefhebben. Bittere woorden en harde behandeling hebben nog nooit iemand overtuigd en zullen het ook nooit doen, en nog veel minder iemand overreden.
B. De woorden, die geïnspireerde mensen hebben gesproken of geschreven, zijn, wanneer ze goed in gedachten en in waarde gehouden worden, het beste voorbehoedmiddel tegen gevaarlijke dwalingen, en dat zal zo blijven totdat de mensen geleerd hebben beter te spreken dan God zelf, dus onveranderlijk.
C. Wij moeten ons niet ergeren wanneer dwalingen en vervolgingen in de gemeente ontstaan en de overhand verkrijgen, dat was voorzegd, en daarom moeten wij niet slechter gaan denken van den persoon, de leer of het kruis van Christus, wanneer wij die voorzeggingen vervuld zien. Zie 1 Timotheus 4:1, 2 Timotheus 3:1, 2 Pet. 3:3. Wij moeten dat niet vreemd achten, maar er ons mede vertroosten, dat temidden van al deze verwarring Christus Zijne gemeente zal staande houden en Zijne belofte vervullen: De poorten der hel zullen haar niet overweldigen, Mattheus 16:18.
D. Hoe meer de godsdienst wordt bespottelijk gemaakt en vervolgd, des te vaster moeten wij ons er aan houden, omdat wij vooraf gewaarschuwd zijn, moeten wij tonen dat wij vooraf gewapend zijn, onder zulke beproevingen moeten wij vaststaan en niet geschokt worden in onze zielen, 2 Thessalonicenzen 2:2.
2. Hij waarschuwt hen tegen de verleiders door de verdere beschrijving van hun verderflijk karakter. Dezen zijn het, die zich zelven afscheiden enz. vers 19. A. Zinnelijke mensen zijn de slechtste afgescheidenen. Zij scheiden zich af van God, van Christus, van de gemeente, en sluiten zich aan bij den duivel, de wereld en het vlees, door hun goddelozen wandel en verkeerde praktijken. En dat is vrij wat erger dan afscheiding van een of ander deel van de zichtbare kerk, veroorzaakt door meningen, of gebruiken, of inrichting van kerkregering en eredienst. Sommigen kunnen zulke afwijkingen geduldig verdragen, maar zijn voortdurend in twist en tweedracht over de laatste, alsof er geen zonde doemwaardiger ware dan wat zij noemen een schisma.
B. Zinnelijke mensen hebben den Geest niet, dat is, den Geest van God en Christus, den Geest der heiligheid, zo iemand dien niet heeft, die komt Christus niet toe, is Zijn eigendom niet, Romeinen 8:9.
C. Hoe slechter anderen zijn des te meer moeten wij trachten en tonen beter te zijn, hoe meer Satan en zijn werktuigen in de weer zijn om anderen in oordeel en praktijk te verwarren, des te krachtiger moeten wij vasthouden aan een gezonde leer en een goeden wandel, vasthoudende aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten, Titus 1:9, 1 Timotheus 3:9.
3. Hij wekt hen op tot volhardende standvastigheid in geloof en heiligheid.
A. Bouwt uzelven op uw allerheiligst geloof, vers 20. De wijze om onze belijdenis te bewaren is ons er op te bouwen. Wanneer wij het fondament gelegd hebben, in een gezond geloof en in een oprecht hart, dan moeten wij daarop voortbouwen, daar gestadig in toenemen, en wij moeten nauwkeurig toezien met welke bouwstoffen wij dat doen, goud, zilver en kostelijke stenen, maar geen hout, hooi of stoppelen, 1 Corinthiërs 3:12. Oprechte beginselen en een eerlijke wandel zullen den toets doorstaan ook van de vuurproef, maar hetgeen wij er van geringer allooi doormengen, daar zullen wij schade door lijden, al zijn wij ook in de hoofdzaak oprecht. En ofschoon wij zelven behouden zullen worden, zal dat deel van ons werk verbrand worden. Wij zelven, indien wij aan de vlammen ontkomen, zullen dat slechts met groot gevaar en veel moeite doen, als een huis, dat aan alle kanten door vuur bedreigd wordt.
B. Biddende in den Heiligen Geest. Merk op:
a. Het gebed is de voeder van het geloof, de wijze om ons in ons allerheiligst geloof op te bouwen is aanhouden in het gebed, Romeinen 12:12.
b. Onze gebeden kunnen alleen dan verhoring vinden, wanneer wij bidden in den Heiligen Geest, dat is: onder Zijn leiding en invloed, overeenkomstig den regel van Zijn woord, met geloof, vurigheid, en voortvarende, volhardende aanhouding. Dat is bidden in den Heiligen Geest, om het even of dat geschiedt buiten of volgens een vastgesteld, voorgeschreven formulier.
C. Bewaart uzelven in de liefde Gods, vers 21.
a. Behoudt de genade van de liefde voor God in de levende, krachtige uitingen en oefeningen in uwe zielen. b. Draagt zorg dat gij u niet onttrekt aan de liefde van God voor u, aan haar verblijdende, strelende, sterkende openbaringen, houdt uzelven in den weg Gods indien gij in Zijne liefde wilt blijven.
D. Verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven, vers 21. Wij moeten het eeuwige leven verwachten alleen uit barmhartigheid. Barmhartigheid is onze enige pleitgrond, geen verdienste. Barmhartigheid alleen, niet de onze, maar die van een ander, die voor ons verworven heeft datgene, waarop wij anders nooit enige aanspraak zouden gehad hebben, en waarop wij dus redelijker wijze niet hadden kunnen hopen.
a. Hier wordt gesproken niet alleen van de barmhartigheid van God als onzen Schepper, maar van de barmhartigheid van Christus Jezus onzen Heere, als onzen Verlosser. Allen, die den hemel zullen ingaan, moeten daar komen door onzen Heere Jezus Christus, want er is geen andere naam onder den hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden, dan de naam van den Heere Jezus alleen, Handelingen 4:12.
b. Een gelovige verwachting van het eeuwige leven zal ons wapenen tegen de strikken der zonde, 2 Petrus 3:14, een levend geloof aan die gezegende verwachting zal ons helpen in het doden van onze vervloekte begeerlijkheden.
4. Hij bestuurt hen in hun gedrag jegens dwalende broeders. En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende. Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur. En haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is, vers 22, 23.
A. Wij moeten alles doen wat ons mogelijk is om anderen uit de strikken des duivels te verlossen, opdat zij mogen bewaard blijven voor of gered worden uit het net en de banden van gevaarlijke dwalingen en verderflijke praktijken. Wij zijn niet enkel, onder God, onze eigen bewaarders, maar ieder behoort, zoveel in hem is, zijns broeders hoeder te zijn, alleen een goddeloze Kaïn zal dit tegenspreken, Genesis 4:9. Wij moeten over elkaar waken, wij moeten getrouw, maar voorzichtig en bescheiden, elkaar vermanen, en aan allen rondom ons een goed voorbeeld geven.
B. Dat moet geschieden met ontferming, onderscheid makende. Wij moeten onderscheid maken tussen zwakken en moedwilligen.
a. Over enigen moeten wij ons ontfermen, hen met alle mogelijke tederheid behandelen, hen in den geest der zachtheid terechtwijzen, niet nodeloos hard en streng zijn in onze afkeuring van hen en hun daden, niet trots en hooghartig zijn in onze houding jegens hen, niet onbuigzaam of afkerig om ons met hen te verzoenen of hen in hun vroegere vriendschap met ons weer op te nemen, indien zij bewijs of zelfs sterke tekenen geven van oprecht berouw. Indien God ons vergeven heeft, waarom zouden wij dan aan anderen geen vergeving schenken? Wij behoeven oneindig meer Zijne vergeving dan zij met mogelijkheid de onze kunnen nodig hebben, ofschoon wellicht wij evenmin als zij daarvan rechtvaardig en gevoelig, voldoende overtuigd zijn.
b. Behoudt anderen door vrees, toont hun den schrik des Heeren. Tracht hen te verschrikken door en over hun zonden, predikt hun hel en verdoemenis. Hoeveel voorzichtigheid en voorzorg worden vereist voor de toediening ook van de meest-gerechtigde gestrenge bestraffingen, die hier voornamelijk bedoeld worden. Het is alsof hij zeggen wilde: "Vreest er voor dat gij niet uw eigen goede bedoelingen en eerlijke pogingen dwarsboomt door te snel en onvoorzichtig handelen, opdat gij niet verhardt in plaats van verzacht, ook zelfs waar hoger trap van gestrengheid nodig is dan bij vroegere gelegenheden. Wij zijn dikwijls geneigd om te veel te doen, ook wanneer wij overtuigd zijn dat wij het oprecht bedoelen en in de hoofdzaak zeker gelijk hebben. Maar ook de slechtsten moeten niet nodeloos, niet haastig, niet tot het uiterste, worden geprikkeld, opdat zij door onzen misslag niet nog meer verhard worden.
Haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is. Houdt uzelven op den allerversten afstand van al wat boos is of schijnt te zijn, en bedoelt en tracht er naar dat anderen ook evenzo handelen. Vermijdt al dat tot zonde leidt en als zonde zich voordoet, 1 Thessalonicenzen 5:22.
III. De apostel besluit zijn brief met een plechtige beschrijving van de heerlijkheid des groten Gods, vers 24, 25.
1. Welk onderwerp wij ook behandeld mogen hebben, het past ons steeds te eindigen met het brengen van heerlijkheid aan God.
2. God is machtig en gewillig, om ons van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijne heerlijkheid in vreugde. Niet alsof wij nooit zonder gebreken geweest zouden zijn, want hetgeen eens gedaan is, kan nooit meer ongedaan gemaakt worden, zelfs niet door den Almachtige zelven, maar als dezulken, wier overtredingen hun niet tot hun verderf toegerekend worden, zoals rechtvaardig had moeten geschieden, zonder de barmhartigheid van God en van onzen Heere Jezus Christus. Voor Zijne heerlijkheid. Merk op:
A. De heerlijkheid van onzen Heere zal binnenkort geopenbaard worden. Wij zien er nu naar uit als in het verschiet, al te velen als in een onbestemd verschiet, maar zij zal komen, zij zal zich openbaren en allen duidelijk zijn.
Aller oog zal Hem zien, Openbaring 1:7. Dit is nu het voorwerp van ons geloof, maar later (en het kan nu niet lang meer duren) zal `t het voorwerp van onze waarneming zijn. Hem, in wie wij nu geloven, zullen wij binnenkort zien, tot onze onuitsprekelijke vreugde en vertroosting of tot onze onzegbare verschrikking en verwarring. 1 Petrus 1:8.
B. Alle ware oprechte gelovigen zullen bij de verschijning en wederkomst van onzen Zaligmaker, door Hem hun verheerlijkt hoofd aan den Vader voorgesteld worden, om Zijne goedkeuring, aanneming en beloning te ontvangen. Zij werden Hem gegeven door den Vader, en van degenen, die Hem gegeven zijn, heeft Hij niemand verloren, en zal Hij niemand verliezen: geen enkele ziel, maar Hij zal hen allen volmaakt heilig en gelukzalig voorstellen, wanneer Hij Zijn middelaars-koninkrijk zal overgeven aan Zijnen God en onzen God, Zijnen Vader en onzen Vader. Johannes 6:39, 17:12, 1 Corinthiërs 15:24.
C. Wanneer de gelovigen onstraffelijk gesteld of voorgesteld worden, zal dat geschieden met uitnemende vreugde. Onze overtredingen vervullen ons nu, helaas, met vrezen, twijfelingen en smarten. Maar hebt goeden moed, indien wij oprecht zijn, dan zullen wij-dat heeft onze dierbare Verlosser op zich genomen, -onstraffelijk voorgesteld worden. Daar is geen zonde, en daar zal geen rouw meer zijn. Daar is de volmaaktheid der heiligheid, dus daar zal ook de volkomenheid der vreugde zijn. Zeker, den God, die dat alles doen kan: den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu in alle eeuwigheid! En dit mogen wij wel met den apostel bevestigen met ons hartelijk: Amen!