6. En Hij zei tot hen: Werpt dadelijk op de plaats, waar u zich nu bevindt, het net aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Zij volgden de raad van de onbekende, die door geheel Zijn wezen reeds een eigenaardige diepe indruk op hen had gemaakt en wierpen het net dan uit en konden hetniet meer trekken vanwege de menigte van de vissen die zij besloten.
De Heere vraagt hen of zij iets te eten hebben, op een manier, die een ontkennend antwoord verwacht. De aanspraak moet hen, evenals de vraag, vreemd voorkomen. Hij houdt Zich daarbij als een, die een vis voor Zich als ontbijt begeert, of met hen wil eten; dit moest echter alleen dienen tot inleiding voor de daarop volgenden eis. De discipelen volgen Hem zonder bedenking, zij hebben Hem misschien wel gehouden voor een, die met het vissen en de zee bekend was, die aan de andere kant iets bemerkt, waaruit Hij het besluit trekt van een gunstige vangst.
In de aanwijzing en belofte van de nog onbekende ligt een zeker vertrouwen, zodat de vissers het laatste verzoek niet kunnen weigeren. Zeer opmerkelijk is de manier, waarop de Heere dat bekend maakt. Hij zegt niet: "Zie toch hier; Ik ben het. " Hij werpt de mantel niet af, opdat zij Hem zien in Zijn eigen gedaante als de Eerste en Laatste, als de Levende - nee, Hij laat hen eerst alleen zien, dat Hij het is, aan een uitwendig teken, dat het geloof eerst moet verklaren. Zij moeten met al de discipelen tot aan het einde van de wereld ontwend worden aan het lichamelijk zien en daarentegen gewend worden aan en opgeleid worden tot het leven van het geloof, dat onder het kleed van middenoorzaken achter het voorhangsel van dagelijkse gebeurtenissen, door het traliewerk van uitwendige raadsels en bedeksels en daarin doorschemerende blikken van zegen de nabijheid van de Heere, het ruisen van Zijn voeten, het werken van Zijn hand en de ontfermingen van Zijn Middelaarshart kan opmerken.
De Heere moet ons tonen aan welke kant van het schip wij het net moeten uitwerpen en dat toont Hij ons in Zijn woord. De door de Heere aangewezen kant is altijd de juiste kant en daar is ook altijd de zegen. Velen hebben het ondervonden en ondervinden het nog, dat men daar, waar men in gehoorzaamheid aan God en in afhankelijkheid aan Hem werkzaam is in de door Hem verordende weg, ook Zijn zegen ontvangt. Dat wij dan geen andere dingen begeren dan die God van ons begeert. Wie doet graag vruchteloze arbeid? Wij kunnen zo'n arbeid vermijden, door gedurig de Heere te vragen: Wat wilt Gij, Heere! dat Ik doen zal? En Zijn woord, Zijn Schrift is daar, om ons het antwoord te geven. Of zouden wij minder bevoorrecht zijn dan oud Israël, dat zijn priester en zijn Efod had om God te vragen en Gods antwoord te ontvangen? Nee, wie bidt, zal ontvangen, wie zoekt, zal vinden, wie klopt, die zal opengedaan worden; want de Heilige Geest is tegenwoordig in de gemeente van Christus en Hij geeft Zijn antwoorden uit de Schrift in het hart van ieder gelovige.