7. Salomo, door dezen kinderlijk ootmoedigen zin van Sulamith getroffen en in verrukking: Geheel, niet alleen, wat uwe lichamelijke gedaante maar ook wat uwe ziel betreft, zijt gij volkomen schoon, mijne vriendin! en er is geen gebrek aan u (
Efeze 5:27).
Het volmaakt schoon der Bruid, hier geprezen, is op geen enkel lid der Kerk toe te passen, maar op de wonderbare schone samenstelling, liefde en eendracht van haar gehele lichaam, waaraan dus geen gebrek te vinden was, wijl zij zonder vlek en rimpel eens aan haren man, als een betamelijk versierde, schone bruid, zou voorgesteld en bij Hem in volmaakte heerlijkheid zou worden opgenomen..
Hiermede wordt de Kerk toegesproken, zoals zij in Christus, haar Koning, kan en mag gerekend worden. In Christus heeft zij haar volkomen rechtvaardigheid bij God, maar ook in beginsel heeft zij in Hem hare heiligmaking. Waar zij door Christus is gekocht en verlost, daar is Hij haar geworden tot wijsheid en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.
Dit is dan ook hare roem en hare troost. Haar roem tegenover de uitwendige en inwendige vijanden, haar troost bij het erkennen en inzien van zoveel gebrek en tekortkomingen.