Hebreeën 7:1-10
Het vorige hoofdstuk eindigde met de herhaling van hetgeen meermalen uit Psalm 110 aangehaald was: Jezus, een Hogepriester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. Dit hoofdstuk is een leerrede over dien tekst, hier zet de apostel iets van de vaste spijze voor hen, waarvan hij gesproken had, hopende dat zij door groter naarstigheid instaat zouden zijn om die te verteren.
I. De grote vraag, die zich in de eerste plaats voordoet, is: Wie was deze Melchizedek? Alles wat wij in het Oude Testament van hem vinden, staat te lezen in Genesis 14:18 en v.v. en in Psalm 110:
4. Inderdaad wij weten zeer weinig van hem. God heeft goedgedocht om niet meer mede te delen, opdat deze Melchizedek des te beter type zou zijn van Hem, wiens generatie niemand kan verklaren. Indien de mensen niet tevreden zijn met hetgeen geopenbaard is, moeten ze in het duister rondtasten en allerlei onderstellingen maken, sommigen hebben gedroomd dat hij een engel was, anderen hielden hem voor den Heiligen Geest, maar:
1. De meningen omtrent hem, die het meest onze aandacht waard zijn, zijn deze drie:
A. De rabbijnen en de meeste Joodse schrijvers denken dat hij was Sem, de zoon van Noach, die koning en priester over hun voorvaderen was, op de wijze van de andere aartsvaders, maar het is niet waarschijnlijk, dat hij op die wijze zijn naam zou veranderen. Bovendien, wij hebben geen enkele mededeling, dat hij zich in Kanaän vestigde.
B. Vele Christelijke schrijvers hebben hem gehouden voor Jezus Christus zelf, die aan Abraham verscheen in het vlees, door een bijzondere openbaring en goedgunstigheid, en die aan Abraham bekend was onder den naam Melchizedek, welke naam voor Christus zeer gepast is. Dat is ook zeer wel overeen te brengen met hetgeen we lezen in Johannes 8:56, Abraham heeft Mijn dag gezien en is verblijd geweest. Veel kan in het voordeel van deze opvatting gezegd worden, en wat wij in vers 3 lezen schijnt op niemand toepasselijk, die alleen mens is, maar toch schijnt het zeer vreemd dat Christus van zich zelven een type zou geven.
C. De meest algemene gedachte is, dat hij een Kanaänietisch koning was, die te Salem regeerde, en de godsdienst en aanbidding van den waren God handhaafde, dat hij verwekt was om type van Christus te zijn en dat Abraham hem als zodanig eerde.
2. Maar wij zullen al deze veronderstellingen laten voor hetgeen zij zijn en moeite doen om te verstaan, zoveel ons mogelijk is, wat hier door den apostel van hem gezegd wordt, en hoe Christus daardoor wordt voorgesteld, vers 1-3.
A. Melchizedek was koning, -en dat was de Heere Jezus ook, een door God gezalfde koning, de heerschappij is op Zijn schouders gelegd en Hij heerst over alles, ten bate van Zijn volk.
B. Hij was een koning der gerechtigheid, zijn naam betekent de gerechtige koning. Jezus Christus is een gerechtig en rechtvaardig koning, Zijn koningschap is wettig en Zijn regering is rechtvaardig. Hij is de Heere onze gerechtigheid, Hij heeft alle gerechtigheid vervuld en een eeuwige gerechtigheid aangebracht, Hij heeft de gerechtigheid en gerechtige personen lief en haat de onrechtvaardigheid. C. Hij was koning van Salem, dat is: Koning des vredes, eerst koning der gerechtigheid en daarna koning des vredes. Dat is onze Heere Jezus ook, door Zijne gerechtigheid maakte Hij vrede, de vrucht der gerechtigheid is vrede. Christus spreekt vrede en schept vrede, Hij is onze vredemaker.
D. Hij was priester des allerhoogsten Gods, op buitengewone wijze bekwaamd en aangesteld om priester onder de heidenen te zijn. Dat is onze Heere Jezus ook, Hij is de priester des Allerhoogsten Gods, en de heidenen moeten door Hem tot God komen, het is alleen door Zijn priesterschap, dat wij verzoening en vergeving van zonden kunnen verkrijgen.
E. Hij was zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen noch einde des levens hebbende, vers 3. Dit moet niet letterlijk opgevat worden, maar de Schrift heeft verkozen hem voor te stellen als een buitengewoon persoon, zonder ons zijn geslachtsrekening te vermelden, opdat hij des te beter type van Christus zou zijn, die zonder vader was als mens, zonder moeder als God, wiens priesterschap zonder afstamming was, niet tot Hem kwam door afstammeling van een ander, en ook niet van Hem op een ander overging, maar persoonlijk en eeuwigdurend is.
F. Hij ging Abraham tegemoet als die terugkeerde van het slaan der koningen, en zegende hem. Die geschiedenis wordt ons verhaald in Genesis 14:18 en v.v. Hij bracht brood en wijn voort om Abraham en zijne dienstknechten te verkwikken, toen zij vermoeid waren. Hij gaf als een koning en zegende als een priester. Zo komt de Heere Jezus Zijn volk tegemoet in hun geestelijken strijd, verkwikt hen, vernieuwt hun krachten en zegent hen.
G. Abraham deelde hem van alles de tienden, vers 3. dat is: gelijk de apostel nader toelicht, de tienden van den buit. Dat deed Abraham als uitdrukking van zijne dankbaarheid voor hetgeen Melchizedek hem gedaan had, als een bewijs van zijn hulde en van zijn onderwerping aan hem als een koning, of als een offerande, gewijd en opgedragen aan God, om door zijn priester aangeboden te worden. En zo zijn wij verschuldigd alle mogelijke bewijzen van liefde en dankbaarheid aan den Heere Jezus te geven, voor al de rijke en koninklijke gunsten, die wij van Hem ontvangen, Hem onze hulde en onderwerping te brengen, als onzen Koning, en al onze offeranden in Zijne handen te stellen, opdat ze door Hem aan Zijn Vader gebracht mogen worden in het reukwerk van Zijn eigen offerande.
H. Deze Melchizedek is den Zoon van God gelijk geworden en blijft priester in der eeuwigheid, vers 3. Hij droeg de beeltenis Gods in zijn godsvrucht en gezag, hij stond boven allen als een onsterfelijk priester, hij is het oude type van den eeuwigen, eengeboren Zoon des Vaders, die priester blijft in eeuwigheid.
II. Laat ons nu den raad van den apostel opvolgen en overwegen hoe groot deze Melchizedek was, en hoe ver zijn priesterschap stond boven dat van de ordening van Aäron, vers 4 en 5 en v.v. Aanmerkt nu hoe groot deze geweest zij enz. De grootheid van dezen man en van zijn priesterschap blijkt:
1. Daaruit dat Abraham aan hem tienden gegeven heeft van den buit, en wel beschouwd betekent dit, dat Levi in Abraham tienden geeft aan Melchizedek, vers 9. Levi ontving de bediening van het priesterschap van God en moest tienden nemen van het volk, en toch brengt Levi tienden aan Melchizedek als aan een groteren en hogeren priester dan hijzelf is, en daarom moest die hogepriester, welke daarna zou verschijnen, voortreffelijker zijn dan een van de Levitische priesters, die in Abraham aan Melchizedek tienden brachten. Door deze bewijsvoering, dat personen dingen van recht of onrecht doen in de lenden hunner vaderen, hebben wij een verklaring hoe van ons gezegd kan worden, dat wij in Adam gezondigd hebben en met hem gevallen zijn in zijn eerste overtreding. Wij waren in de lenden van Adam toen hij zondigde, en de schuld en het bederf door de menselijke natuur in onze eerste voorouders aangenomen, zijn evenzo overgegaan op allen, die van hen afstammen. Zij worden rechtvaardig die natuur toegerekend en kunnen alleen door een handeling van genade weggenomen worden.
2. Daaruit dat Melchizedek Abraham zegende, hem, die de beloftenissen had. En zonder enig tegenspreken: hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is, vers 6, 7. Merk hier op:
A. Abrahams grote waardigheid en groot geluk, hij had de beloftenissen. Hij stond in verbond met God, God had hem uitnemend-grote en kostbare beloften gegeven. Die man is inderdaad rijk en gelukkig, die een bezitting van schenkingen en beloften heeft van Gods eigen hand en onder Zijn zegel. Deze beloftenissen zijn beide voor het tegenwoordige en het toekomende leven. En deze eer hebben allen, die den Heere Jezus aannemen, in wie alle beloften ja en amen zijn.
B. De eer van Melchizedek was groter, het was zijn werk en voorrecht om Abraham te zegenen, en het is een onweerlegbare regel: de mindere wordt gezegend door den meerdere, vers 7. Hij, die den zegen geeft, is meer dan hij, die hem ontvangt, en daarom is Christus het antitype van Melchizedek, de verwerver en Middelaar van alle zegeningen voor de kinderen der mensen, groter dan al de priesters naar de ordening van Aäron.