30. Want er zullen schepen 1) van Chittim, van gene zijde van Cyprus (
Numeri 24:24), hier zowel als uit Italië, tegen hem komen; daarom zal hij met smart bevangen worden, dewijl hij zijne hoogdravende plannen tegen het Zuiden niet verder kan voortzetten, en hij zal wederkeren om zich voortaan bij zijn eigen land tegen het Noorden te bepalen, en gram worden tegen het heilig verbond, tegen Israëls godsdienst, en hij zal het doen, hij zal de uitroeiing van dezen godsdienst met nog veel meer nadruk beginnen, en tot zijn levensdoel maken, dan hij vroeger deed, toen hij daarmee een aanvang maakte (
Vers 28), want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds, hij zal door beloningen en onderscheidingen de afvalligen ondersteunen, en den Grieksen godsdienst tot godsdienst van het land verheffen. 1).
1) Men zou in verzoeking geraken, om voor tsijim = schepen, tsirim = gezanten te lezen, om zich daarbij het echt Romeinse gedrag van den gezant Popillius nog levendiger voor ogen te stellen. De geschiedenis meldt ons, dat een gezant van Rome, dat bestemd was om later het vierde wereldrijk te worden, Markus Popillus Lenas, op het zand een kring beschreef rondom den persoon van Antiochus, en dien koning van het Noorden dwong die niet te overschrijden, voordat hij plechtig beloofd had Egypte te zullen ontruimen. (E. GUERS).
2) Nog gedurende de belegering van Alexandrië door Antiochus in den herfst van het jaar 170 vóór Chr. toen daar de nood op het hoogst gestegen was (zie bij Vers 28) had Ptolemeus Filometor in gemeenschap met zijne zuster Cleopatra gezanten naar Rome gezonden, den senaat om een bevel aan den Syrischen koning laten verzoeken, om de belegering op te heffen en zich van alle verdere vijandelijkheden tegen Egypte te onthouden. Zulk een bevel werd ook werkelijk gegeven, daar de Romeinen zich als beschermheren en voogden van al de landen van de aarde beschouwden, doch Cajus Popilius Lenas, die tot bijlegging van den krijg door Rome was afgezonden, opgehouden bij het eiland Delos, vernam intussen, dat Antiochus Egypte reeds had verlaten en stelde zijne tussenkomst tot op een gelegenen tijd uit. In den daarop volgenden winter van 170-169 v. C. knoopte vervolgens Ptolemeus Filometor, die, gelijk wij boven zagen, gaarne vrij zou geweest zijn van het protectoraat (beschermheerschap) van Antiochus, met zijnen broeder Ptolemeus Fyscon onderhandelingen aan, en de verzoening der beide broeders. ernstig ondersteund door hun zuster Cleopatra, kwam werkelijk tot stand. Filometor werd in Alexandrië opgenomen en deelde voortaan met Physkon de regering. Toen Antiochus dat hoorde rustte hij zich tot den krijg toe tegen de beide koningen. Met het begin der lente van 168 v. C. rukte hij Coele-Syrië binnen, terwijl zijne vloot het eiland Cyprus wegnam, en zette nu zijn leger naar de zijde der Egyptische grenzen in beweging. Bij Rhinocolora kwam hem een gezantschap uit Alexandrië te gemoet, dat in den naam der beide koningen den vrede zou trachten te bewerken. Hij stelde echter zo zware voorwaarden, dat de vijandelijkheden verder gingen, en reeds in het midden van den zomer daalde Antiochus in langzame dagreizen van Memfis naar het dieper gelegene Alexandrië. Nog slechts enige duizende schreden was hij van de stad verwijderd, toen bovengenoemde Romeinse gezant Popilius hem ontmoette, om zijn last te volbrengen. Antiochus was met dezen man van zijn oponthoud in Rome af bevriend geweest; hij wil hem de hand ter begroeting reiken, maar Popilius reikt hem het schriftelijk bevel van den Romeinsen Senaat over. Na het doorlezen van dit stuk, dat hem beveelt alle vijandelijkheden tegen Egypte dadelijk te staken, verzoekt Antiochus een tijd om zich te bedenken, doch Popilius beschrijft met zijnen staf om den koning een kring en verklaart hem, dat hij daaruit niet zal komen, voordat hij antwoord heeft gegeven. Door zulk een aandrang overrompeld, en overwegende, dat hij niet opgewassen was tegen de Romeinen, die juist thans, nu zij door den gelukkigen slag bij Pydna in Macedonië in het jaar 168 v. C. den koning Perseus geheel en al verslagen had, machtiger waren dan ooit, verklaart Antiochus zich tot den aftocht bereid; nu eerst reikt Popillus hem zijne hand. Terwijl nu het Romeinse gezantschap, nadat het de overeenkomst der beide broeders, om gemeenschappelijk over Egypte te willen regeren bevestigd had, zich naar Cyprus begeeft, om de Syrische vloot eveneens naar huis te zenden, voert Antiochus zijn leger naar Syrië terug, detacheert echter op den weg een corps van 22. 000 man onder Apollonius naar Judea, van wiens handelwijze in Jeruzalem ons de plaatsen 1 Makk. 1:30, en 2 Makk. 5:24, verhalen. Even als in Vers 13 zo treedt ook in Vers 30 Rome eerst van verre in den gezichtskring der profetie van het boek van Daniël, maar hierbij is wel op te merken, dat het bij Bileam (Numeri 24:24) nog onder den naam Chittim zamengevatte Westerse wereldrijk reeds hier begint zich te verdubbelen tot een Grieks en Romeins rijk, en dus aan Daniël reeds een blik wordt gegeven over het Griekse rijk heen.