Daniël 11:5-20
Hier wordt voorspeld,
1. Het ontstaan en de macht van twee groote koninkrijken uit de overblijfselen van Alexanders veroveringen, vers 5.
1. Het koninkrijk Egypte, dat groot gemaakt werd door Ptolemaeüs Lagus, een van Alexanders generaals, wiens opvolgers naar hem de Lagiden genoemd werden. Hij wordt de koning van het Zuiden genoemd, dat wil zeggen Egypte, vers 8, 43, 43. De landen, die, naar men rekent eerst aan Ptolemaeüs behoorden, zijn Egypte Foenicie, Arabië, Libië, Ethiopië, enz. Theocr. Idyl. 17.
2. Het koninkrijk Syrië, dat gesticht werd door Seleucus Nicanor, of de Overwinnaar, hij was een van Alexanders vorsten, en werd sterker dan de andere, ja de machtigste van Alexanders opvolgers. Men zeide, dat hij niet minder dan twee en zeventig koninkrijken onder zijne heerschappij had. Deze beide waren sterk tegen Juda, met het oog, waarop dit alles voorspeld werd, spoedig, nadat Ptolemaeüs zich in `t bezit gesteld had van Egypte, deed hij een inval in Judea, en nam Jeruzalem op een sabbat, onder voorwendsel van een vriendschappelijk bezoek. Ook Seleucus bracht onrust in Judea.
11. De vruchtelooze pogingen om deze twee rijken te vereenigen, ongelijk het ijzer en leem van Nebukadnezars beeld, vers G: "Op het eind van sommige jaren, ongeveer zeventig jaren na Alexanders dood zullen de Lagiden en de Seleuciden zich verbinden, maar niet in oprechtheid, Ptolemaeüs Philadelphus, de koning van Egypte, zal zijn dochter Berenice uithuwelijken aan Antiochus Theos, den koning van Syrië, die al eene vrouw had, met name Laodice. Berenice zal komen tot den koning van het Noorden, om eene overeenkomst te sluiten, maar die zal niet duurzaam zijn: Zij zal de macht des arms niet behouden, noch zij, noch haar nakomelingschap zullen zich in het rijk van het Noorden vestigen, noch zal Ptolemaeüs, haar vader, noch Antiochus haar echtgenoot, tusschen wie een groot verbond zou zijn bestaan, maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben", allen, die dat ongelukkig huwelijk tusschen haar en Antiochus ontwierpen, dat zooveel kwaad veroorzaakte, in plaats van een verbond ten gevolge te hebben tusschen beide kronen, zooals gehoopt werd. Antiochus scheidde van Berenice, nam opnieuw zijne vroegere vrouw Laodice, die hem spoedig daarop vergiftigde, en Berenice en haar zoon liet vermoorden waarna zij haar eigen zoon en van Antiochus tot koning liet maken, die Seleucus Callinicus genoemd werd.
III. Een oorlog tusschen de twee koninkrijken, vers 7, 8. Een tak uit denzelfden wortel als Berenice zal opstaan in zijnen staat. Ptolemaeüs Exergetes, de zoon en opvolger van Ptolemaeüs Philadelphus, zal met een leger optrekken tegen Seleucus Callinicus, den koning van Syrië, om het onrecht, zijne zuster aangedaan, te wreken, en zal overwinnen, en hij zal ten rijken buit meevoeren, beide van personen en goederen naar Egypte, en zal eenige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden. Deze Ptolemaeüs regeerde zes en veertig jaar, en Justinus zegt, dat als zijn eigen zaken hem niet naar zijn land teruggeroepen hadden, hij zich in dezen oorlog meester gemaakt zou hebben van het heele koninkrijk Syrië. Maar, vers 9, hij zal gedwongen worden in het koninkrijk te komen en wederom in zijn land te trekken, om daar de orde te handhaven, zoodat hij den oorlog buitenslands niet langer kon doorzetten. Het is iets zeer gewoons, dat een onoprechte vrede op een bloediger oorlog uitloopt. IV. De lange en werkzame regeering van Antiochus den Grooten, koning van Syrië Seleucus Callinicus, de koning van het Noorden, die overwonnen was en in zijn rampspoed stierf, liet twee zonen na, Seleucus en Antiochus, dat zijn zijn zonen, de zonen van den koning van het Noorden, die zich in strijd zullen mengen, en eene menigte van groote heiren verzamelen, om te heroveren, wat hun vader verloren had, vers 10. Maar, daar Seleucus, de oudste, zwak was, en niet in staat zijn leger aan te voeren, werd hij door zijne vrienden vergiftigd, hij had maar twee jaar geregeerd, hij werd opgevolgd door zijn broeder Antiochus, die zeven en dertig jaar regeerde en de Groote genoemd werd. Daarom, hoewel de engel eerst van zonen sprak, gaat hij nu voort met het verhaal van een van hen, die nog slechts vijftien jaar oud was, toen hij begon te regeeren, en hij zal snellijk komen en overstroomen en doortrekken en hernemen, wat zijn vrede verloren had.
1. De koning van het Zuiden zal in dezen oorlog eerst veel voorspoed hebben. Ptolemaeüs Philopater, verontwaardigd over de vernederingen, hem door Antiochus aangedaan, zal, hoewel anders een traag vorst, uittrekken en tegen hem strijden, en zal een groot leger in het veld brengen van zeventig duizend voetknechten en vijf duizend paarden, en drie en zeventig olifanten. En de groote menigte, het leger van Antiochus, bestaande uit twee en zestigduizend man te voet, zes duizend paarden en honderd twee olifanten, zal in zijne hand gegeven worden. Polybius, die ten tijde van Scipio leefde, heeft een nauwkeurig verhaal geschreven van den slag bij Raphia. Toen Ptolemaeüs Philopater deze overwinning behaald had, werd hij zeer onbeschaamd zijn hart verhief zich, hij ging in den tempel van God te Jeruzalem, en in strijd met de wet, trad hij het heilige der heiligen binnen, waarom God een twist met hem heeft, zoodat, hoewel hij eenige tienduizenden nedervellen zal, hij er niet door gesterkt zal worden, op den duur. Want,
2. De koning van het Noorden, Antiochus de Groote, zal wederkeeren met een grooter menigte dan de eersten en, aan het einde van de tijden der jaren zal hij komen met eene groote heirkracht en groot goed, tegen den koning van het Zuiden Ptolemaeüs Epifanes, die zijn vader, Ptolemaeüs, opgevolgd was, wat een groot voordeel was voor Antiochus. Op dezen tocht had hij eenige machtige bondgenooten, vers 14:Velen zullen opstaan tegen den koning van het Zuiden. Philippus van Macedonië was de bondgenoot van Antiochus tegen Egypte, en zijn veldheer Scapos, dien hij naar Syrië zond, Antiochus versloeg hem, vernietigde een groot deel van zijn leger, waarop de Joden zich gaarne bij Antiochus aansloten, met hen optrokken, en hem hielpen de garnizoenen van Ptolemaeüs te overwinnen. Dan zullen de scheurmakers uws volks verheven worden om het gezicht te bevestigen, om de vervulling van deze profetie te bevorderen, doch zij zullen vallen, vers 14. Hierop zal deze zelfde Antiochus een anderen weg inslaan om zijn plannen tegen den koning van het Zuiden uit te voeren. a Hij zal zijne sterke plaatsen bij verrassing nemen, al wat hij in Syrië en Samaria veroverd heeft, en de wapens van het Zuiden, de gansche macht van den koning van Egypte, zal hem niet kunnen weerhouden. Zie, hoe twijfelachtig en wisselvallig de kansen in dezen oorlog zijn, het is als koopen en verkoopen, beurtelings winnen en verliezen, nu eens is de eene partij sterker, en dan weer de andere, toch niet bij toeval, het is niet, wat men krijgsgeluk noemt, maar naar den wil en raad van God, die den een vernedert en den andere verhoogt. b. Hij zal zich meester maken van het land van Judea, vers 16:Hij, die tegen hem komt, dat is de koning van het Noorden, zal alles voor zich neerwerpen en doen, wat hem behaagt, en hij zal staan en vasten voet krijgen in het land des sieraads, dat was het land van Israël, maar door zijne hand zal het verwoest en verteerd worden, want met den buit van dat goedeland onderhield hij zijne groote krijgsmacht. Het land Judea lag tusschen deze twee machtige rijken in, zoodat het in alle oorlogen tusschen hen noodzakelijk het meest lijden moest, want zij droegen het beide geen goed hart toe. Toch lezen sommigen hier: Door zijne hand zal het voltooid worden, alsof de bedoeling was, dat het land van Judea, onder bescherming van Antiochus, zou bloeien, en in beteren toestand komen dan het geweest was. c. Hij zal zijn oorlog tegen den koning van Egypte voortzetten, en zijn aangezicht stellen om met de krachs zijns ganschen koninkrijks te komen, en gebruik te maken van de teere jeugd van Ptolemaeüs Epifanes, met de hulp van de oprechten, velen van de vrome Joden, vers 17. Om zijn doel te bereiken, zal hij hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw geven, evenals Saul zijne dochter aan David gaf, om hem te verderven, maar zij zal niet vaststaan aan haars vaders zijde, zij zal niet voor hem zijn, maar voor haar echtgenoot, waardoor het plan in duigen valt. d. Zijn oorlog met de Romeinen wordt hier voorspeld, vers 18:Hij zal zijn aangezicht tot de eilanden keeren, de eilanden der heidenen, Genesis 10:5, Griekenland en Italië. Hij nam verscheidene eilanden bij de kust van Klein-Azië, Rhodes, Samos, Delos enz. waarvan hij zich door geweld of bij verdrag meester maakte, maar een overste of staat, zooals sommigen lezen, de Romeinsche senaat, of een Romeinsch veldheer, zal zijn smaad doen ophouden tegen hem, namelijk tegen Rome, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeeren, hem met schande overladen zal. Dit werd vervuld, toen de twee Scipio's met een leger tegen Antiochus werden gezonden. In dien tijd was Hannibal bij hem, die hem den raad gaf een inval te doen in Italië en het te verwoesten, zooals hij gedaan heeft, Scipio leverde hem slag, en bracht hem een volkomen nederlaag toe, hoewel Antiochus zeventigduizend man had en de Romeinen maar dertigduizend. Aldus deed hij zijn smaad op hem wederkeeren. e. Zijn val. Toen hij volkomen verslagen was door de Romeinen, en gedwongen om al wat hij in Europa had aan hem over te geven, en eene zware schatting, hem opgelegd, beloofd had, keerde hij zijn aangezicht naar zijn land, en, niet wetende, hoe hij aan geld moest komen om de schatting te betalen, plunderde hij een tempel van Jupiter, wat zijn eigen onderdanen zoozeer tegen hem verbitterde, dat zij tegen hem opstonden en hem doodden. Zoo stiet hij aan en viel en werd niet meer gevonden, vers 19. f. Zijn naaste opvolger, vers 20. Er stond een op in zijne plaats, die een geldeischer deed doortrekken een afperser. Deze beschrijving past opmerkelijk goed op Seleucus Philopater, den oudsten zoon van Antiochus den Grooten, die een groot verdrukker van zijne onderdanen was, en zeer veel geld van hen eischte, en toen hem gezegd werd, dat hij daardoor zijne vrienden verliezen zou, zeide hij, dat hij geen beter vriend kende dan geld. Eveneens beproefde hij den tempel te Jeruzalem te berooven, waarop dit in `t bijzonder schijnt te doelen. Maar hij zal in eenige dagen gebroken worden, niet door toornigheden noch door oorlog, maar vergiftigd door Heliodorus, een van zijn eigen dienaren, toen hij nog maar twaalf jaar geregeerd en nog niets bijzonders gedaan had.
V. Laat ons uit dit alles leeren,
1. Dat God door Zijne leiding dezen verhoogt en genen vernedert, naar Hem behaagt, den een uit nederiger stand bevordert, en anderen, die zeer hoog stonden, achteruitzet. Sommigen hebben de grooten dezer wereld den voetbal der fortuin genoemd, laat men liever zeggen, dat zij het werktuig der Voorzienigheid zijn.
2. Deze wereld is vol van krijgen en vechterijen, die uit de wellusten der menschen komen en haar tot een tooneel van zonde en ellende maken.
3. Alle veranderingen en omwentelingen van staten en koninkrijken, en alle gebeurtenissen, ook de allerkleinste en toevalligste, zijn duidelijk en volmaakt voorzien door den God des hemels, en voor Hem is niets nieuw. 4. Geen woord van God zal ter aarde vallen maar wat Hij bepaald en wat Hij besloten heeft zal onfeilbaar gebeuren, en ook de zonde der menschen zullen Zijn oogmerk moeten dienen en er toe bijdragen om Zijn raad te rechter tijd ten uitvoer te brengen, en toch is God niet de Auteur der zonde.
5. Dat het tot recht verstand van sommige deelen der Schrift, noodzakelijk is, dat heidensche schrijvers geraadpleegd worden, die licht werpen op de Schrift en de vervulling toonen van wat daar voorspeld is, zij hebben daarom reden God te danken voor de menschelijke geleerdheid, waarmee velen grooten dienst hebben bewezen aan goddelijke waarheden.