5. En in de tekst die ik reeds meermalen heb aangehaald (
Psalm 95:11), zegt Hij weer, verklarend dat er sedert die schepping een rust bij Hem is, die Hij Zijn rust noemt: "Nooit zullen zij tot Mijn rust ingaan! "
Evenals door het scheppen van God het scheppen, werken en arbeiden van de mens en de zes dagen van de week als dagen van arbeid zijn ontstaan, zo komt met dat rusten van God een grote rustdag aan het einde en na elke zes dagen van arbeid een kleine, door God gemaakte en gezegende rustdag. Tegelijk met de voltooiing van de schepping is dus de rust van God, waaraan de mens deel zal hebben, aanwezig en een voortdurende getuige hiervan is de sabbath, de rustdag. Toen nu God de Israëlieten uit Egypte, uit het diensthuis leidde, was Zijn bedoeling dat het Joodse land de plaats zou zijn waar de Joden, voor zover het hier beneden mogelijk is, deel zouden krijgen aan de rust van God; doch om hun ongeloof heeft God hun niet kunnen schenken wat Hij hun had toegedacht.
De vergelijking van de beide door de schrijver aangehaalde schriftplaatsen stelt de gedachte op de voorgrond dat er van het begin af een rust van God is, waarin de mensen moesten en konden ingaan en dat hierdoor toch het ingaan in de rust van God niet voor alle tijden en voor alle mensen opgeheven of onmogelijk kan gemaakt zijn, omdat in dat feit het gericht van Gods toorn alleen over de ongelovigen is volvoerd. En de rust die God aan Zijn volk belooft en geeft, is geen andere dan de rust die Hij zelf heeft en geniet.