24. Met stilheid onvoorziens zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal het werk der onderwerping van Egypte doen, dat zijne vaders, of de vaders zijner vaderen niet gedaan hebben, die bestendig in geldgebrek waren; roof, en buit, en goederen zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden, tegen de vaste steden, tot Alexandrië toe, zijne gedachten denken, doch tot enen zekeren tijd toe; bij de meerderjarigheid van Ptolemeus zal hij het land weer moeten verlaten.
In het jaar 195 vóór Chr. had Ptolemeus Epifanes (zie bij Vers 17) de heerschappij zelfstandig overgenomen, en hield daarin stand doordat hij zich met de Romeinen in betrekking stelde en zich zorgvuldig wachtte, zijnen schoonvader Antiochus III tegen hen (Vers 19) te ondersteunen. Maar reeds in zijn 28ste levensjaar stortten zijne buitensporigheden hem in een vroegtijdig graf. Hij liet bij zijnen dood twee zonen achter, van welke later de oudste onder den naam van Ptolemeus VI, met den bijnaam Filometor (liefhebber van zijne moeder), de jongere onder den naam Ptolemeus VII met den bijnaam Fyscon (d. i. vetbuik om zijne buitengewone dikte zo geheten) regeerde. Voor het tegenwoordige voerde echter Cleopatra, de moeder van die beide, de dochter van Antiochus den Grote, het regentschap. Hoewel zij nooit de landen ontving, die haar bij haar huwelijk met Epifanes beloofd waren, namelijk Coele-Syrië, Fenicië en Palestina, liet zij om wijze redenen ook gedurende de 8 jaren, dat zij als voogdes regeerde, hare aanspraken rusten. Toen zij echter ongeveer in het jaar 173 vóór Chr. stierf, en de beide Egyptenaars Elaeus en Lanaeus de voogdijschap over Ptolemeus VI opnamen, eisten deze spoedig daarop die landen. Antiochus Epifanes sloeg dien eis af, daar zij de belofte eens door zijnen vader gedaan niet erkende, en begon, daar de Egyptenaar zich tegen hem uitrustte, zelf den krijg. Hij sloeg ook den vijand westelijk van de Karsische bergen in het jaar 171 v. C. hij liet echter, om voor de Egyptenaren als zacht voor te komen en hun harten voor zich te winnen, het bloedbad, dat de zijnen aanrichtten, ophouden, daar hij overal op het slagveld rondreed en hun verschoning aanbeval. Ene onwaardige krijgslist (Polyb. XXVII, 17), en, zo als het schijnt, ook ene overeenkomst met de Egyptenaren opende hem hierop Pelusium, en spoedig was hij in het bezit van het gehele land. Nu knoopte Ptolemeus Filometor door gezanten, onderhandelingen met hem aan, hij begaf zich ten laatste zelf tot hem naar Memfis. Antiochus behandelde den jongen koning zeer vriendelijk, verzekerde hem van zijne welwillendheid. en liet hem ook voor den robijn de heerschappij, wel wetende, dat hij zelf nu toch de eigenlijke heerser was, terwijl een volledig annexeren van het land noodzakelijk de Romeinen tegen hem zou doen aanrukken. Jegens de inwoners betoonde hij zich zeer mild tot verkwistens toe, gelijk dit zijn aard was; in Naukratis bijv. schonk hij aan elken Griek een goudstuk; toch gelukte het niet Alexandrië, waarheen hij van laatstgenoemde stad over den Nijl heenging, in zijne macht te krijgen, integendeel zeilde bij van daar naar Cilicië, om een opstand der bewoners van Tarsus en Mallus te dempen; vervolgens begaf hij zich naar Tarsus, waar zijne scheepswerven waren, om den veldtocht van het volgende jaar voor te bereiden. In dezen tijd valt de gebeurtenis, welke in 2 Makk. 6:27, bericht is. 25. En hij zal in de volgende lente zijne kracht en zijn hart, zijn krijgsmoed, verwekken tegen den koning, van het Zuiden, tegen Ptolemeus Fyscon, die gedurende zijne afwezigheid uit Egypte tot de heerschappij zal komen, een jongere broeder van Filometor; hij zal komen met ene grote heirkracht; en de koning van het Zuiden deze Ptolemeus VII, zalom de aangematigde heerschappij te behouden, zich in den strijd mengen, begeven met ene grote en zeer machtige heirmacht; doch hij zal niet bestaantegenover den vijand, want zij zullen in zijn eigen leger verraderlijke gedachten, verraderlijke aanslagen tegen hem denken tegen hem bedenken.